De liberale rechtsstaat van Paul Cliteur is weinig liberaal


…als zij verbiedt wat eigenlijk kan worden toegestaan, alleen om de islam te dwarsbomen. Zij is ook niet billijk als zij seksesegregatie bij moslims afkeurt maar die in de autochtone cultuur als vanzelfsprekend accepteert, bijvoorbeeld in de sport, of in gevangenissen. En zij is erg armoedig als zij geen rekening houdt met de sociologische realiteit. Een vrouwenuurtje in het zwembad lijkt me geen probleem, maar de mannelijke dominantie over vrouwen wel. En dat is geen kwaal die typisch is voor migranten, want ze zit evenzeer in het autochtone deel van de samenleving. 

Gemengd plassen
Tweedelig commentaar door Eric Hulsens (DeWereldMorgen) over Dirk Verhofstadts nieuwe boek: Dirk Verhofstadt in gesprek met Paul Cliteur, een zoektocht naar harmonie. ‘De blinde vlek van Paul Cliteur (1)’, deel 2 is getiteld ‘Gemengd plassen’. Hulsens vraagt zich af:

En hoe zit het met de gescheiden toiletten voor mannen en vrouwen? Horen die niet dringend te worden afgeschaft? Is dat geen ergerlijke vorm van seksesegregatie?

In een lijvig werk dat 28 februari verscheen, interviewt Dirk Verhofstadt de Nederlandse hoogleraar rechtswetenschap Cliteur. Die heeft zijn ideeën al in een hele reeks boeken, columns en artikels bekendgemaakt, maar dit interviewboek brengt een welkome synthese. Hulsens vraagt zich af hoe Cliteur zou handelen als hij burgemeester zou zijn.

Een belangrijke kant van het probleem van de seksevermenging is dus de asymmetrische relatie tussen mannen en vrouwen. Die maakt dat er weinig of geen discussie is over het bestaan van gescheiden toiletten voor mannen en vrouwen, die een burgemeester als Paul Cliteur eigenlijk ook zou moeten verbieden. Wat is er aan de hand met die toiletten?

Godsdiensten
Volgens Hulsens is Cliteur een scherpe geest met een beperkte actieradius en een kenner van de geschiedenis en de theorieën van het atheïsme of humanisme, en vanuit zijn vakgebied zeer geïnteresseerd in de druk die godsdiensten daartegen uitoefenen, bv. in de vorm van blasfemiewetten, straffen voor religieuze afvalligheid of wetten tegen groepsbelediging.

Hij verdedigt, terecht, het recht om zonder God te leven en het recht om de godsdienst te bekritiseren, of dat nu gebeurt in academische geschriften, in literaire of artistieke werken, of in satirische publicaties zoals cartoons.

Liberale rechtstaat
Soms klinkt Cliteur toch wel liberaal. In het interview gaat het over de liberale rechtsstaat en het klinkt dan nogal verrassend dat Cliteur geen bezwaar heeft tegen godsdienstige uitingen in de publieke ruimte. ‘Goed zo! Consequent liberaal!’ zegt Hulsens.

Cliteur: ‘De rechter die de vrouwen wegstuurt van de publieke tribune omdat zij een hoofddoek dragen, geeft wat mij betreft een verkeerde uitleg aan het ideaal van een neutrale staat.’

Onderwijs
Het gaat ook over het onderwijs. Cliteur wil niet dat men bijvoorbeeld het verhaal van de zondvloed en de Ark van Noah zoals verteld in Genesis en in soera Noah, zou aanleren. Over godsdienst zegt Hulsens dat Cliteur zich zeer inspant om de godsdienstvrijheid en de vrijheid van meningsuiting te verdedigen. Maar eigenlijk moet hij niets hebben van godsdienst, en ziet hij die vooral als een bron van ellende.

‘Moeten we ook spreken over lopen op het water? Het veranderen van water in wijn? Het opstaan uit de dood? Over de joden die door de Rode Zee liepen, terwijl het water als een muur aan beide kanten rechtop ging staan? Over het scheppen van het heelal in zeven dagen?

Dirk Verhofstadt in gesprek met Paul Cliteur, een zoektocht naar harmonie, Antwerpen/Utrecht, Houtekiet, 2012, 472 p.

Zie: De blinde vlek van Paul Cliteur (1) (DeWereldMorgen)

en: Gemengd plassen  (DeWereldMorgen)

‘Maar weet je dan niet dat onze ziel onsterfelijk is?’


Dat zei Socrates in ‘De Staat’ tegen Glaucon. ‘Waar blijft de ziel?’ vraagt Bert Keizer zich nu af in zijn nieuwe boek met die titel. Dat ligt overal in de boekhandel op 31 maart. Ik kreeg een recensie-exemplaar en las het dezelfde dag in één adem uit. Boeiend, boeiend, maar de ziel blijkt zo onzichtbaar als God. Over neuronen weet ik nu veel en vooral dat het volslagen onzin is dat de mens zijn brein is. Over de ziel in ons wereldbeeld.  

Hersenweefsel
Dat Keizer een arts is, is onmiskenbaar. Vanuit die kennis filosofeert hij over de ziel. Dat doet hij grondig en van een filosoof mag je dat ook verwachten. Hij neemt je mee naar de Canadese neurochirurg Wilder Penfield en beschrijft een huiveringwekkend onderzoek waarin de chirurg aan een patiënt vraagt wat er door hem heen gaat voordat hij bepaald hersenweefsel verwijdert, nadat hij een luikje uit zijn schedel heeft gezaagd.

Onsterfelijk
Vervolgens neemt Keizer je mee naar Thales, die stelde dat alle dingen bezield zijn. Maar ook naar het Griekse verhaal Odyssee, over de menselijke ziel die begint met Odysseus’ bezoek aan de Hades, de onderwereld waar de zielen van de doden verblijven. En naar Plato en zijn Phaedo, waarin hij nadenkt over de mogelijkheid dat de ziel onsterfelijk is.

Bij de dood laten lichaam en ziel elkaar gaan. Het is een bevrijding en een uiteengaan. Eigenlijk is de bevrijding van de ziel uit het lichaam het doel van elke filosoof. Voor een echte filosoof is sterven zijn vak, want sterven betekent dat de ziel wordt losgemaakt uit de vergankelijke stof om zich te richten op de onvergankelijke eeuwige waarheid. Dat is niet iets om bang voor te zijn, Daar streef je dus naar. (Phaedo)

Descartes
Keizer neemt je in zijn zoektocht naar de ziel ook mee naar De Staat en Phaedrus. Verderop komt hij natuurlijk bij Descartes uit, die overal aan twijfelt en daardoor ontdekt dat hij denkt en dus bestaat. En dat hij een ziel heeft die zich op de een of andere manier in zijn lichaam bevindt en die totaal onafhankelijk is van het lichaam en dus ook niet ten onder gaat als het lichaam sterft. Toen hij stierf waren zijn laatste woorden:

‘Kom, mijn ziel, er moet vertrokken worden.’

Wittgenstein
Met Wittgenstein filosofeert Keizer er grappig semantisch op los over het probleem van ‘de ziel die in het lichaam zit’. Met de nadruk op het werkwoord ‘zitten’. Hoe zit die ziel dan in het lichaam? Volgens Keizer lukt het niet om de ziel op dezelfde manier uit het lichaam te krijgen als een fiets uit een schuur. ‘Hoewel,’ zegt hij vervolgens, ‘wat er ‘in’ zit, kan er toch ook ‘uit’?

Neurosofie
Dan gaat het uitgebreid over neuroreductie en neurosofie, waarin we terechtkomen in de wereld van neurosofen en wetenschappers als Dick Swaab en Victor Lamme. Keizer gaat indrukwekkend in, onder meer met behulp van de fMRI (functional Magnetic Resonance Imaging), op neurosofen die graag met hersenscans goochelen in de onuitroeibare illusie dat je daarop kunt zien wat iemand denkt. Keizer probeert aan te tonen dat we iemands geestelijke toestand nooit kunnen inschatten op basis van alleen een hersenscan. Keizer maakt gehakt van een artikel in de NRC dat verwijst naar het wetenschappelijk tijdschrift Current Biology’, waarin beweerd wordt dat een scan kan laten zien waaraan iemand denkt.

Dementie
Schrijnend worden de verhalen van Keizer als hij schrijft over het beschadigd brein en de beschadigde ziel. Over dementie: wat voor ziel blijft er nog over? 

Dementie is niet alleen in emotioneel, maar ook in filosofisch opzicht een verontrustende conditie. Het is erger dan kanker omdat je ziel bij leven en welzijn uit elkaar gehaald wordt, in plaats van je lichaam.

In hoofdstuk 12: Coma: de ziel is er nu toch wel echt uit? stelt Keizer aan de hand van enkele onthutsende ervaringen vast dat een beschadigd brein een beschadigde ziel betekent. Ook in het hoofdstuk ‘Knutselen aan het brein, harken in de ziel’ toont hij een actueel en zich snel uitbreidend voorbeeld van hersenverandering die zielsverandering tot gevolg heeft.

Ziel
Keizer gaat in op het boek van de Californische neurowetenschapper en filosoof Alva Noë: ‘Out of Our Heads: Why You Are Not Your Brain, and Other Lessons from the Biology of Consciousness’. Hierin betoogt Noë dat neurowetenschappers het probleem van de ziel of van het bewustzijn of van de geest als een probleem beschouwen dat moet worden opgelost door te zoeken in de hersenen.

De ziel, bewustzijn, geestelijk leven, is niet iets dat in ons gloeit of dat op ondoorgrondelijke wijze in ons verwijlt – het is iets dat we doen. De opvatting van bewustzijn als een daad spreekt uit het onderscheid dat we maken tussen een blaadje dat willoos door de wind wordt weggeblazen en een man die achter een bal aan holt of een meeuw die zich krijsend op een broodkorst stort.

Beleving
Keizer introduceert de Drie-eenheid Brein, Lichaam en Wereld van Noë, die stelt dat je voor bewustzijn, voor geestelijk leven een brein, een lichaam en een wereld nodig hebt en dat het geen zin heeft om het geestelijke uitsluitend in één van deze drie te zoeken. Onze beleving van smaak, pijn, angst, honger, vreugde, rood, heimwee en dergelijke geestelijke toestanden onderscheiden ons van de levenloze voorwerpen om ons heen.

Hoewel niets erop wijst dat er zoiets bestaat, hebben onze voorouders in een voor ons verborgen verleden het idee opgevat dat er naast het lichaam of in het lichaam iets is dat de dood van het lichaam overleeft, een iets dat in staat blijft dingen te ervaren: de ziel.

De ziel begrijpelijker?
Het is een lang blog geworden. Ik hoop wel dat je hierdoor het boek zelf gaat ‘beleven’. Het geeft veel te denken. Keizer is een goed schrijver, hij neemt je mee op reis alsof je de Odyssee van Homerus leest. Maar nee, het is de Ziel van Keizer. Een bezield boek, waarin je met Noë inderdaad tot de conclusie kan komen dat het bewustzijn niet kan ontstaan in het brein, maar dat je voor bewustzijn naast een brein ook een lichaam en een wereld nodig hebt. Voor Keizer blijft het echter de vraag of Noë de ziel begrijpelijker heeft gemaakt door brein, lichaam en wereld samen te brengen.

Maar wij weten, na al die eeuwen van nadenken over onszelf, nog steeds niet goed te zeggen wie of wat wij zijn. 

Waar blijft de ziel? | Bert Keizer | ISBN: 9789047704546 | prijs: € 4,95 |
Het intrigerende omslagontwerp is van Frits van Hartingsveldt. In deze bewerking van
Die Toteninsel, een bekend schilderij van Arnold Böcklin uit 1880, heeft Van Hartingsveldt het Dodeneiland vervangen door een Brein.

Gerelateerd: De Filosofie Nacht: wat is de ziel?