Valt er nog redelijk over God te debatteren?


En alweer komt er een debat over het bestaan van God. Gezien de uitnodiging zal God Bacchus rijkelijk vloeiend aanwezig zijn, dus die bestaat alvast. Traditionele godsbewijzen worden door analytische filosofen nieuw leven in geblazen. De argumenten ervoor worden steeds vernuftiger. De houdbaarheid van het geloof in God wordt verdedigd. Deze keer gaan Herman Philipse en Emanuel Rutten de geloofsstrijd aan in Felix Meritis.

Felix & Sofie – Is het redelijk om nog in God te geloven? Ik ben al een paar keer naar dit soort debatten geweest, maar nooit vind ik overtuigend bewijs dat God werkelijk bestaat en ook niet dat Hij niet bestaat. Ruttens argument is redelijk, maar helpt mij niet als plausibel argument voor het bestaan van God:
‘1. Voor alle p geldt dat als p noodzakelijk onkenbaar is, dan is p noodzakelijk onwaar. 2. De propositie ‘God bestaat niet’ is noodzakelijk onkenbaar. 3. Ergo: ‘God bestaat niet’ is noodzakelijk onwaar. 4. Ergo: het is noodzakelijk waar dat God bestaat.’

Herman Philipse legt zich toe op de argumenten van deze filosofen, en in het bijzonder op die van Richard Swinburne. Philipse stelt dat, ondanks het vernuft van hun redeneringen, deze filosofen er niet in slagen het bestaan van God overtuigend te beargumenteren. Gebrek aan overtuigende argumenten betekent voor Philipse dat het geloof in God als een ‘epistemische zonde’ kan worden bestempeld.(Felix Meritis)

Als ik de visies van Rutten en Philipse probeer te vatten, vraag ik me af of het nog wel redelijk is om over God te debatteren. Voor mij bestaat Hij er niet duidelijker of echt door. Ik geloof in God, blijkbaar op irrationele gronden. Wetenschappelijk gezien geloof ik dus blijkbaar in Iets Onwaarschijnlijks, maar ook analytisch filosofisch geloof ik dan nog steeds niet – die redeneringen immers maken het voor mij ook niet echt plausibel. Ik geloof gevoelsmatig, diep vanbinnen. Niet in de Bijbelse God, maar in God als Kosmische Intelligentie die geen (Bijbelse) beperkingen kent.

Filosoof Emanuel Rutten beweert dat de argumenten van Philipse niet slagen in het definitief weerleggen van het bestaan van God. Hij zal bepleiten dat het theïsme wel degelijk als een redelijke positie kan worden ingenomen. (Felix Meritis)

In zo’n debat gaat het om steeds weer nieuwe wetenschappelijke en filosofische theo-rema’s. Zo’n dispuut werkt veelal verwarrend, wakkert niet bepaald mijn geloof aan, al die ‘verlichte’ en soms onnavolgbare premissen en conclusies. Ik sluit me liever aan bij Albert Einstein. Hij zei glashelder:

De religie van de toekomst zal een kosmische religie zijn. ‘Het zou een persoonlijke God moeten transcenderen, en dogma en theologie vermijden. Zowel het natuurlijke als het spirituele betreffende, zou het gebaseerd moeten zijn op een religieuze intuïtie, afkomstig van de ervaring van alle natuurlijke en spirituele dingen als een betekenisvolle eenheid. Het boeddhisme beantwoordt deze beschrijving. Als er een religie is die om zou kunnen gaan met de moderne wetenschappelijke behoeften, zou dat het boeddhisme zijn.

Voor wie naar het debat gaat, vind ik de volgende, zeer heldere, uitspraak van Lachende Theoloog Jan Riemersma wel een mooi nadenkertje om mee te nemen:

Wie het bestaan van God uitsluit op rationele gronden, moet eigenlijk het volgende bewijzen: a. dat onze rationele denkwijze universeel is, b. dat religie niet te verenigen is met onze rationele denkwijze. – Het verbijsterende is dat filosofen zonder mankeren altijd de eerste stap overslaan. Vervolgens is het, vanzelfsprekend, niet moeilijk om aan te tonen dat God vermoedelijk niet bestaat.

Zie: Felix & Sofie – Is het redelijk om nog in God te geloven? 

Ilustr: creatov.nl 

Advertenties

About Paul Delfgaauw

Zinzoeker Paul Delfgaauw, sinds september 2014 student Religiestudies, richting Media & Cultuur. Sinds 2016 Vrije Studierichting, aan de Academie voor Geesteswetenschappen Utrecht (voorheen HGU). Hij verkent sinds jaar en dag de gebieden religie en filosofie. Eigenlijk al vanaf het moment dat hij tijdens zijn eerste catechismusles de vraag kreeg voorgelegd waartoe de mens op aarde is. Sindsdien grasduint hij door boeken, tijdschriften en kranten die verhalen over zingeving, overtuigd als hij is dat God bestaat of gebeurt en op bovennatuurlijke wijze deel uitmaakt van ons leven. Op kritische wijze volgt hij zin en onzin van religie en filosofie en schuwt daarbij ook het gedachtegoed van het humanisme en atheïsme niet. In deze tijd bieden internet en de sociale media wereldwijd nog meer stof tot nadenken over goden, mensen en hun zoektocht naar elkaar. En met hopelijk begrip voor elkaar.

3 Responses

  1. joost tibosch sr

    Wat moet je als theoloog toch moeite doen om even niet het woord God te laten vallen, terwijl dat toch best voor de hand ligt en ook nog eens tot de beste religieuze tradities behoort!

    Like

  2. Rob

    De onderliggende vraag is altijd de vraag over de kenbaarheid van de wereld: hoe en op grond waarvan, op basis van welke grond aanname kunnen we de wereld kennen?
    Je ontkomt er daarbij niet aan om een grond aanname te doen over de wereld, die je niet – zondermeer – kunt bewijzen.
    In beginsel kun je slechts van één van twee grond aannames uitgaan:
    1. Datgene wat de wereld is of doet zijn vindt haar grondoorzaak in het bestaan van de geest (het bewustzijn) en alle verschijnselen van de wereld zijn daar het gevolg van (inclusief de materie, die dan door de geest zou zijn geschapen).
    2. Datgene wat de wereld is of doet zijn vindt haar grondoorzaak in het bestaan van de materie (de objectieve werkelijkheid, datgene wat zich buiten het bewustzijn bevindt en onafhankelijk van het bewustzijn bestaat) waar alle verschijnselen in de wereld op zijn gebaseerd (inclusief het bewustzijn zelf, wat dan het resultaat is van voorafgaande materiële processen).

    Hoewel we géén van beide grond aannames redelijkerwijze echt kunnen bewijzen (immers, bij je poging om het te bewijzen ga je in feite al uit van één van beide grond aannames), kunnen we natuurlijk wel de vraag stellen hoe zinvol het is om het één danwel het ander aan te nemen en welke conclusies je op basis daarvan trekt over de wereld.
    Deze grond aannames zijn in de filosofie bekend als enerzijds het Idealisme (1) en anderzijds het Materialisme (2).

    Voor beide grond aannames kun je een argumentatie opbouwen.

    Zou kun je voor aanname (1) pleiten in de zin dat alles wat we (denken) te weten over de wereld gebaseerd is op zintuiglijke ervaring over de wereld, en we zijn daar pas bewust van als deze ervaring in ons bewustzijn terecht komt. Ondermeer Berkely propageerde dit idee, en stelde dat je eigenlijk niet kunt spreken over het bestaan van een wereld buiten het bewustzijn, dus alleen het bewustzijn zou werkelijk bestaan. De wereld daarbuiten zou dan niet eens bestaan.
    Het is duidelijk dat niet iedereen dat gezichtspunt deelt, en ver doorgevoerd zou je dan uitkomen op het gezichtspunt van het solipsisme, waarin het totaal van de wereld slechts bestaat uit je eigen bewustzijn, en verder niets bestaat.
    Een andere opvatting, die eveneens uitgaat van de aanname dat de grondoorzaak van de wereld in het bewustzijn ligt is de opvatting dat deze grondoorzaak niet ligt in onze eigen geest maar dat er een obiectieve geest (een wereld geest) bestaat die de grond vormt voor het bestaan van de wereld.
    Een dergelijke aanname vinden we ondermeer terug bij de monotheïstische religies, die dus uitgaan van het bestaan van een god die de wereld heeft geschapen.

    Het uitgangspunt van het Materialisme daarentegen is dat de wereld in haar fundament moet worden opgevat als eeuwig voortbestaande en voortdurend in beweging en verandering zijnde materie die in ruimte en tijd bestaat, los van ons bewustzijn en de objectieve realiteit vormt. Door onze zintuiglijke ervaring kunnen we kennis en inzichten verwerven over de wereld en ons zelf. Het bewustzijn moet in deze benadering worden opgevat als een ontwikkeling van de materie in hogere levensvormen op grond van complex samengestelde organen, onze hersenen dus.
    Hoewel de wereld niet altijd is wat ze lijkt, dat wil zeggen dat onze zintuiglijke ervaring ons soms kan bedriegen is juist, maar maakt nog niet dat er daarom geen materie, geen objectieve realiteit zou zijn.
    Als voorbeeld, de zon als deze dicht bij de horizon is, vlak voordat deze onder gaat lijkt groter en roder dan midden op de dag. Het is echter onjuist om dan te stellen dat de zon zelf groter en roder is op dat moment, dat ligt aan onze waarneming. Het licht van de zon passeert immers op dat moment door een langer deel van de atmosfeer en raakt vervormt en de kleuren wijken af.
    Om te weten hoe de materie zich echt gedraagd, welke eigenschappen zij heeft, moeten we ze onderzoeken, en met behulp van de wetenschappelijke methode kunnen we steeds preciezer achterhalen wat de materie is en hoe zij zich gedraagd.
    Dat ook ons bewustzijn een materiële component en oorzaak heeft, dat de fenomen van het bewustzijn gecorreleerd zijn aan hersenactiviteit die we kunnen onderzoeken, toon ook aan dat ook het bewustzijn zelf een materiële verklaring heeft.

    Like

Reacties zijn gesloten.