‘Eerst waren er heel veel goden, en toen maar Eentje’

Avatars_of_Vishnu
‘Maar was die God er nu eerst, of hebben de mensen hem verzonnen? Typisch zo’n vraag waar ik me vroeger heel druk over kon maken (het moest en zou een verzinsel zijn) en waarvan ik nu denk: het maakt niet veel uit. Diep gevoelde overtuigingen worden reëel in hun effecten. De mensen die God bedachten, werden, terwijl ze daar mee bezig waren, ook weer uitgevonden door die God. Verzinsels kunnen waar worden.’ Dit schrijft filosoof Stephan Sanders aan journalist Yvonne Zonderop in de briefwisseling Geloofsbrieven van twijfelaars in de Groene Amsterdammer.

In De Groene Amsterdammer staat dat Stephan Sanders denkt dat hij gelovig is. Samen met Yvonne Zonderop gaat hij per brief op zoek naar wat die hang naar het religieuze nu eigenlijk is. ‘Ik wil alleen geloven als ik niet per se hoef te geloven.’ De briefwisseling is vorig jaar november gestart en duikt af en toe op in het opinieblad.

Ik kan er maar niet over uit dat mensen, zoveel duizenden jaren geleden, zich een God uit de grond hebben gestampt. Eerst heel veel goden, en toen maar Eentje, waarmee dankzij de joden het monotheïsme was geboren. Die ene God is voor mij van belang, omdat daarmee ook één (1) geweten werd geschapen. Je kunt met je gewetensbezwaren niet meer shoppen langs verschillende goden, net zo lang tot je vindt wat je belieft; er is er maar één toetssteen waaraan je je moraal en gedrag kunt toetsen. De geboorte van het ene, ondeelbare geweten, dat mogen de joden op hun naam zetten.’ (Sanders)

Sanders heeft lang niets van zich laten horen, omdat hij aan het dubben was.

Dat zal de rest van mijn leven wel doorgaan. Maar zo’n onwrikbaar geloof in God dat nooit eens wankelt, is dat niet de uiterste blasfemie? In die zin ben ik heel religieus.’ (Sanders)

Het wachten is nu weer op Zonderop. Zij reageerde in eerste instantie op Sanders die in Vrij Nederland schreef dat hij denkt dat hij gelovig is. Sanders, door Zonderop een vrijdenkend en weldenkend boegbeeld genoemd, is volgens haar – tegen de  officiële stroom in – religieus aan het worden. En raakte bij haar een gevoelige snaar. Ze wilde het graag onderzoeken, in een briefwisseling met Sanders, hoe lastig ook. Want, schrijft ze, schrijven over geloven is als glibberen op het ijs: geloof, de kerk, de bijbel, probeer het maar eens te ontwarren.

Over de vraag of het bestaan van God te bewijzen valt, wordt, liefst wetenschappelijk, serieus debat gevoerd. Maar waar wordt de beleving erkend? Ook daarom vond ik jouw ‘bekentenis’ zo mooi. De vraag of God dood is of toch bestaat, vind ik steeds trivialer, schrijf je. Het gaat om willen of niet willen geloven. Dat lijkt mij helemaal waar.’ (Zonderop)

Geloven of niet is voor mij een kwestie van denken, net zo goed als willen. Dat is meer protestants dan katholiek, zo begrijp ik. Het reflecteert mijn leven nu, niet de relicten uit mijn jeugd. Wel de hoop en wel vertrouwen voelen, zonder te zeggen: ik geef mij over. Wat denk je, geloof ik dan al?’ (Zonderop)

Sanders schrijft terug en probeert een antwoord te formuleren. Hij vindt het een mooie laatste zin van haar en verwondert zich over haar reactie als zij eerst schrijft ‘wel de hoop en vertrouwen te voelen’ zonder dat zij wil spreken van overgave, en dan hem nota bene vraagt: ‘Wat denk je, geloof ik dan al?’ Uiteindelijk zegt hij:

Ik ben geneigd, Yvonne, te zeggen: ‘Ja, jij gelooft.’ Jij bent bezig met geloven, en dat is het. Dit twijfelen, ineens denken: ‘Laat ik gvd stoppen met die onzin’, om daarna toch weer tegen heug en meug te moeten constateren dat het Evangelie van het Niets je te mager is. Te resoluut ook, te stellig. ‘In geval van twijfel, grijp naar het iets’, heb ik mijzelf de laatste jaren geleerd. Nee, dat betekent in mijn geval niet het ‘ietsisime’, waar oud-columnist Plasterk zo fijntjes gehakt van heeft gemaakt – geheel ten onrechte, vind ik inmiddels: iets­isme lijkt me heel wat realistischer dan het nietsisme, waarin bijvoorbeeld Heidegger zo uitblonk, en waarvan de filosoof Carnap dan weer filosofisch gehaktbrood maakte. Zeker van het Niets dat ook nog eens kan ‘Nietsen’. Daarbij is geloven in God: appeltje, eitje.’ (Sanders)

Zie: ‘In geval van twijfel, grijp naar het iets’ – Briefwisseling – Geloofsbrieven van weifelaars (De Groene Amsterdammer)

Foto: Vishvarupa (Sanskriet voor ‘die met alle/vele vormen/kleuren’) was in de oudste Indiase mythologie een kosmogone godheid, die aan de oorsprong van de schepping ligt en deze ook weer kan absorberen. (flickr.com –  Steve Jurvetson) – In India verdrong uiteindelijk de allerhoogste Brahman de vele goden uit de veda’s. (PD)

‘De wereld wordt steeds religieuzer’

rug.nl
Religiewetenschapper Ernst van den Hemel pleit in De Groene Amsterdammer voor meer religiekennis. ‘Religie is inzet van veel maatschappelijke conflicten. Populistische groeperingen als Pegida, Front National en PVV grijpen de joods-christelijke traditie doelbewust aan om scheidslijnen aan te scherpen met mensen uit andere religies en culturen. De wereld wordt tegelijkertijd steeds religieuzer.’ 

In de serie De goddeloze samenleving in De Groene Amsterdammer pleit Van den Hemel voor meer religiekennis, want nu is het zo dat de ‘hobby van babyboomers’ alles wat maar naar religie riekt, bestempelen als ouderwets, en die houding vindt hij niet enkel kortzichtig en achterhaald, ze heeft zelfs gevaarlijke kanten.

De wereld wordt tegelijkertijd steeds religieuzer. Dan kun je niet volhouden dat godsdienst er niet meer toe doet, omdat wij ons er in de jaren zestig zo fijn van bevrijdden.’

Van den Hemel stelt in zijn proefschrift dat calvinisten uit hun geloof de overtuiging putten dat ze in opstand moesten komen tegen intolerantie.

Door de eeuwen heen zijn daarvan vele voorbeelden te geven, zo toonde hij aan in zijn proefschrift. Geloof levert dus niet alleen gehoorzaamheid en inperking op, maar ook twijfel, rebellie en openheid.’

Het valt best mee – of tegen, laat Van den Hemel weten, met de veel bezongen individualisering van Nederland. En voor de secularisering geldt eigenlijk hetzelfde, want ook al zijn veel kerken leeggelopen, we ademen nog steeds de diepe invloed van het christelijk geloof.

Ons beeld van emancipatie, van gelijkheid, van secularisatie is wel degelijk beïnvloed door die christelijke traditie. Om ons heden te begrijpen, heb je kennis nodig van het religieuze verleden.’

Van den Hemel vindt dat religiewetenschappen bestaansrecht heeft, alleen al omdat de oude scheidslijnen tussen religieus en seculier aan vervanging toe zijn.

Maar Nederland blijft grotendeels onkundig van de religiewetenschappelijke blik op religie en samenleving. Er wordt flink gediscussieerd over populisme en de islam, maar een geïnformeerd debat over godsdienst komt daarbij amper van de grond. Bij wijze van grap met een serieuze ondertoon spreekt de van oorsprong Duitse theologe Manuela Kalsky van het posttraumatische stresssyndroom in Nederland.’

De persoonlijke opvatting van Van den Hemel is dat het publieke debat in Nederland vaak van een armoedig niveau is en dat dit ernstige maatschappelijke gevolgen heeft.

Als je het aan Wilders overlaat om de islam te definiëren, en ik ben bang dat het beeld van de islam voor veel mensen bepaald wordt door de PVV, moet je niet raar opkijken wanneer kloven in de maatschappij zich verdiepen.’

Religie, zo stelt Van den Hemel, is een explosieve groeimarkt. Maar als we echt iets willen veranderen, moeten we ervoor zorgen dat kennis van religie in Nederland veel weidser verspreid wordt.

‘84 Procent van de wereldbevolking is religieus, over vijftig jaar is dat 87 procent. In dat licht is het bizar om kennis van religie te verwaarlozen. Dat is soms tegen het zere been van veel mensen die juist dachten dat ze van religie af waren.’

Van den Hemel vindt dat we de erfenis van de ontkerkelijking kritisch moeten bezien en voor hem is het duidelijk dat daar een hoop oud zeer zit.

Maar het houdt geen stand om religie ouderwets en intolerant te noemen, en seculiere cultuur hedendaags en tolerant. Die versimpeling levert een vertekend beeld op van een steeds religieuzere wereld.’

Naarmate maatschappijen zich verder ontwikkelen, stelt Van den Hemel neemt de invloed van religie af, zo is het idee.

Hiermee wordt een versimpeling van de westerse geschiedenis verheven tot norm. Als je niet uitkijkt, eindigt dat met een monoculturele visie op het heden die blind is voor eigen dogmatiek. Religie kan een verbredende kracht zijn, en wat zich als bevrijding van religie presenteert, kan beklemmend worden. Dat wordt nu vaak vergeten.’

Zie: ‘84 procent van de wereldbevolking is religieus’ (De Groene Amsterdammer)

Beeld: Rijksuniversiteit Groningen (RUG)