Mystiek, wiskunde en oneindigheid

innaamvandeoneindigheid

‘Wiskundigen en leken realiseren zich vaak niet dat mystiek soms echte bijdragen aan de wiskunde kan leveren’, zegt filosoof en historicus (UvA) Lukas Verburgt, die het boek In de naam van oneindigheid van twee wetenschapshistorici uit 2009 voor Amsterdam University Press vertaalde. ‘Omdat,’ zegt hij, ‘het op een bijzondere manier laat zien hoe tegelijk menselijk én bovenmenselijk de wiskunde kan zijn.’

Aldus Martijn van Calmthout in de Volkskrant, in zijn artikel Hoe Jezus’ naam de oneindigheid redde. Hij geeft hierin weer hoe een handvol mystieke Russische wiskundigen begin vorige eeuw de wiskunde weer vlot trok. Een vergissing noemt hij uitgesloten.

Eerder is het een klein teken van verzet, ter ere van de grondlegger van de legendarische Moskouse School voor wiskunde, die vorige eeuw vanwege religieus mysticisme genadeloos door de atheïstische Sovjets werd vermorzeld.’

Olaf Tempelman schreef er ook over, in dezelfde krant, waar hij het had over mathematische mystici. Hij is van mening dat als je ergens vooroordelen aantreft tegen religie en spiritualiteit, dat dit in de wetenschap is en dat dit komt doordat wetenschappers van de stevige soort soms nauwelijks minder dogmatisch zijn dan imams, lama’s en schriftgeleerden.

Daarom is het zo mooi dat die werelden nu in elkaar blijken te passen en ‘de mystieke wiskundige’ niet langer een contradictio in terminis is. Uit ‘In de naam van oneindigheid’ leren we dat mystieke Russische mathematici de wiskunde verder hielpen: waar collega’s vastliepen op hun ‘hardnekkige rationaliteit’, konden de mystici overweg met ‘oneindigheid’.

Boeddhisme is net kwantummechanica, zegt Tempelman, en verwijst hiermee naar een uitspraak van de dalai lama, die stelde dat de kwantummechanica lijkt op het mahayana-boeddhisme.

Het boek In de naam van oneindigheid stelt dat een van de grootste wiskundige doorbraken in de twintigste eeuw, over het fenomeen ‘oneindigheid’, plaatsvond in Rusland.

Ondanks een zware concurrentiestrijd van Franse wiskundigen die zich verwoed op rationele oplossingen richtten, lieten de Russen zich leiden door de inzichten van een mystieke, verboden sekte, de Naamaanbidders, en kwamen tot de theorie die tot op de dag van vandaag geldt.

In de naam van oneindigheid’ vertelt het onvoorstelbare verhaal over de politieke strijd, de psychologische crises, de mystiek inspiratie en ethische dilemma’s waar Franse en Russische wiskundigen in de eerste helft van de twintigste eeuw mee te maken kregen in hun zoektocht naar een antwoord op een van de oudste wiskundige problemen: de aard van oneindigheid.’

In de naam van oneindigheid |  Loren Graham, Jean-Michel Kantor | 368 pagina’s | 9789462983175 | september 2016 | € 24,95

Zie:
* Hoe Jezus’ naam de oneindigheid redde (de Volkskrant – Blendle 25 ct)
* Mathematische mystici (de Volkskrant – Blendle 15 ct)

Hoe breder de school hoe meer diversiteit op levensbeschouwelijk gebied

solidarity2-1

Bas van der Graaf, van het Theologisch Elftal van Trouw, vraagt zich af hoe goed het voor mensen is als ze van jongs af aan verplicht zijn te kiezen uit een breed scala van levensbeschouwingen die naast elkaar staan. Hij is bang dat als er alleen nog maar openbare scholen zouden bestaan, dat de overheid impliciet gaat bepalen wat algemeen aanvaarde of gedeelde waarden zijn. Maar nu bepalen confessionele scholen toch die waarden?

Dagblad Trouw vroeg zich onlangs af of we niet beter af zijn met algemeen, openbaar onderwijs in plaats van de veelal levensbeschouwelijk gefundeerde scholen. Van der Graaf zegt nu in Trouw dat hij om zich heen ziet dat twintigers en dertigers met enorme identiteitsvragen rondlopen en dat dit door openbaar onderwijs alleen maar zal toenemen.

Maar is het niet zo dat iedere puber en adolescent geteisterd wordt door identiteitsproblemen? Dat hoort gewoon bij het opgroeien: je gaat nadenken over jezelf en de wereld. Christelijke jongeren gaan zich afzetten tegen hun christelijke opvoeding en leraren, en krijgen interesse in het atheïsme en andersom kunnen seculier opgevoede jongeren geboeid worden door geloof.

Van jongs af aan verplicht kiezen uit een breed scala van levensbeschouwingen die naast elkaar staan’, zoals Van der Graaf ten onrechte stelt, is er niet bij. Het is een ontwikkeling, op een openbare school kan je langzaam jezelf in een richting vormen die bij je past, je maakt uiteindelijk je eigen, onopgelegde, keuze.

Van der Graaf zegt dat het voor zijn identiteitsvorming enorm behulpzaam is geweest om te wortelen in een traditie en er tegelijk kritisch over na te denken. Alsof andere kinderen nergens in geworteld zijn.

Mohamed Ajouaou, docent islamitische theologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, stelt dat hoe breder een school, hoe minder diversiteit er op levensbeschouwelijk gebied is. Niets is minder waar, er zitten juist kinderen van diverse levensbeschouwingen op die scholen, die elkaar ook nog ontmoeten. Vaak is het ook nog zo dat in het openbaar onderwijs humanistisch vormingsonderwijs wordt gegeven, dat juist in alle levensbeschouwingen onderricht. Zo wordt het voor de kinderen normaler dat er mensen zijn die anders geloven, of niet geloven.

Kinderen die naar bepaalde vormen van confessioneel onderwijs gaan, zijn echter al (eenzijdig) gevormd in een traditie: in die van hun ouders. Als ze dan ook nog naar een school gaan die in dezelfde traditie voortborduurt, leren ze weinig over andere tradities en bestaat het gevaar dat ze die wereldvreemd vinden en nooit kunnen of willen begrijpen.

De Britse filosoof Anthony Grayling stelt dat onderwijs ideologie- en geloofsvrij moet zijn. Dat is natuurlijk onmogelijk. Altijd zal op school, door geschiedenisles en maatschappelijke vorming over ideologie en geloof gesproken (moeten) worden. Daar is niets mis mee, zolang er maar geen docent voor de klas staat die kinderen indoctrineert tot christen, communist of moslim. Openbare scholen zouden zich juist er meer op toe moeten leggen degelijk onderwijs te geven op het hele brede gebied van religies en andere ideologieën waar kinderen in deze wereld absoluut tegenaan zullen lopen. Filosofieles zou ook een bijdrage kunnen leveren.

Dan pas zijn kinderen in staat zelf hun identiteit te bepalen, mede aan de hand van de hun geboden brede maatschappelijke opvoeding, en die van thuis. Dan krijgen we christelijke kinderen die niet allergisch reageren op moslims, of atheïstische kinderen die begrijpen dat hun vriendjes ergens in geloven. Dat speelt ook leuker samen.

Zie:
Moeten we de onderwijsvrijheid afschaffen?
* Bijzonder onderwijs: niet alleen rekenen en taal

Beeld: cmo.nl

Spreken wetenschap en geloof over een en dezelfde werkelijkheid?

5b_galileitrial

Volgens theoloog, bioloog en filosoof Palmyre Oomen zijn zowel natuurwetenschap als theologie gericht op waarheidsvinding. En daarmee raken we volgens Oomen aan de complexiteit van de verhouding van natuurwetenschap en geloof/theologie. ‘De visie dat geloof en wetenschap met elkaar botsen, elkaar uitsluiten en niet te verenigen zijn, is de visie die op dit moment als eerste opkomt, zeker bij iedereen die er zich niet vakmatig mee bezig houdt. Het is de grondtoon van de oeverloze debatten op weblogs over schepping of evolutie, waarin de ene partij veelal geen spaan heel laat van de andere.’

De conflictvisie op geloof en wetenschap, is een visie die zowel opgeld doet aan de geloofskant als aan de wetenschapskant. Dat is duidelijk te illustreren aan de strijd rond de evolutietheorie. Vanuit de geloofskant wordt dan benadrukt dat Darwins theorie overduidelijk de goddeloze aard van de wetenschap toont. Evolutietheorie is immers strijdig met hoe Gods schepping in de Bijbel beschreven staat. Geloof in Gods schepping sluit derhalve – volgens deze zienswijze – een acceptatie van Darwins evolutietheorie volstrekt uit. Gelovigen die deze radicale mening zijn toegedaan (‘creationisten’) worden er fervente bestrijders van de gangbare wetenschap van.’

In haar artikel in de Bezieling vraagt Oomen zich af of er een derde weg is. Ze staat daarvoor stil bij pogingen (vanaf ruwweg de jaren tachtig van de vorige eeuw) waarin geprobeerd wordt het christelijk geloof en de inzichten van de wetenschap weliswaar te onderscheiden, maar ze áls onderscheiden toch op elkaar te betrekken.

Theologen die – in plaats van voor conflict of tweedeling – voor deze ‘derde positie’ kiezen gaan ervan uit dat, ondanks het genreverschil tussen het geloofsdiscours en het wetenschappelijke discours, de scheiding tussen die twee niet zo volstrekt kan worden doorgevoerd als de tweedelingsmensen voorstaan, omdat beide perspectieven toch op een of andere manier betrekking hebben op een en dezelfde werkelijkheid.’ 

De vraag voor Oomen is niet óf maar hóe we deze ideeën opnemen, oppervlakkig en ondoordacht óf genuanceerd en kritisch.

Dit laatste is wat deze theologen voorstaan, en daarmee stellen ze zich dus een wezenlijk moeilijke taak, namelijk wel het genreverschil tussen geloof en wetenschap erkennen (tegen de conflictpositie in), maar dat toch niet als excuus nemen om beide domeinen los van elkaar te laten (tegen de tweedelingspositie in). Nee, ‘we distinguish in order to relate’ zo karakteriseert John Haught deze positie met een middeleeuws adagium.’

Oomen noemt de vraag ‘Hoe kun je nog op een zinnige manier in God geloven (in Gods invloed op de wereld bijvoorbeeld) als je de wetenschap serieus neemt?’ in zekere zin het Leitmotiv van deze ‘derde weg’: deze derde weg zoekt, om na het onderscheiden van geloof en wetenschap, de reflectie op het geloven toch in relatie te brengen met de wetenschap.

Als voorbeeld – hoe kan het ook anders – neemt zij de evolutietheorie en stelt dan dat de typische Geloof&Wetenschap-reactie is dat de evolutie haar inderdaad niet haar geloof in schepping ontneemt, maar ze vraagt zich dan af hoe schepping dan – uitgezuiverd – te verstaan is. Met deze houding begint het werk pas, zo stelt Oomen. Zij heeft het dan over ‘gaatjes’ in sommige fundamentele natuurwetten (kwantummechanica en chaostheorie).

Dat wil zeggen laten zien dat de wereld op een fundamenteel niveau niet een gesloten keten van oorzaak en gevolg is, maar ‘open’ is. Deze ‘basale openheid’ zou dan ruimte geven – zo is de idee – voor een handelen van God in de wereld zónder natuurwetten te doorbreken. Dit is een binnen theologie die in gesprek is met natuurwetenschap breed aangehangen idee: God dus gezien als schepper van de wetten, én handelend in de speelruimte die sommige van die wetten laten.’

Oomen beaamt wel dat je zo een gek Godsbeeld krijgt: eerst maakt God wetten, die hij niet kan of niet wil doorbreken; vervolgens heeft God gelukkig sommige van die wetten zo gemaakt dat er een mogelijkheid voor hem is om alsnog in de wereld van invloed te zijn.

Zo’n beeld roept toch, bij mij in ieder geval, grote ongemakkelijkheid op. Het geeft een gespleten beeld van God, en het ontkracht ook de autonomie van de betrokken gebeurtenissen. Wat hebben die eigenlijk nog zélf te doen of in te brengen? Wie is er dan verantwoordelijk voor het kwaad in de wereld? En bovendien: dreigt zo niet dat we wederom over God spreken in een enkel objectiverende taal, waarbij het eigene van het geloof kwijtgespeeld wordt?’

Opmerkelijk boeiende gedachten van Oomen vind ik, waarover ze zelf zegt dat haar artikel slechts enkele van de vele, meer of minder geslaagde, pogingen om het gelovig denken over God in relatie wil brengen met inzichten en theorieën uit de natuurwetenschappen. Als het goed is níet om zich daar onkritisch aan uit te leveren, maar om het potentiële belang ervan ten goede te laten komen aan de verdieping van het geloofsverstaan.

Met zo’n ander denkmodel komen er bij Oomen heel andere beelden vrij voor het denken over God-mens-wereld. Voor een proeve daarvan verwijst zij naar haar artikel over Schepping, in het Belgische Tijdschrift voor Geestelijk Leven, een tweemaandelijks tijdschrift voor spiritualiteit.

Zie: Geloof en wetenschap onderscheiden maar niet gescheiden (ze gaan beide over de ene werkelijkheid)

Beeld: Toen de Italiaanse sterrenkundige Galileo Galilei zei dat hij het eens was met de theorie van Copernicus beschuldigde de katholieke kerk hem van ketterij. Galilei werd berecht en tot aan zijn dood veroordeeld tot huisarrest. (schrijfgenoten.nl)