Overpeinzingen van een moderne gelovige

mijn-heldere-afgrond

Het ‘moderne’ van de gelovige Amerikaanse dichter Christian Wiman, schrijver van Mijn heldere afgrond, zit er waarschijnlijk in dat hij zijn geloof niet als een leer met vastomlijnde waarheden beschouwt, maar juist onophoudelijk twijfelt. Niet zozeer aan een leer, maar aan zijn geloof. Dat zegt Marjoleine de Vos in de NRC, in het artikel Bestaan, echt bestaan, vervult je met ontzag. Het boek Mijn heldere afgrond over geloven, poëzie en sterven raakt volgens de NRC lezers diep. Auteur Christian Wiman sprak in Amsterdam met De Vos en andere lezers.’

Geloven is een lastig woord. Want wat bedoelt iemand ermee, waar gelooft hij dan in. Het antwoord ‘in God’ verheldert eigenlijk niets. Misschien is geloven in Wimans geval wel ongeveer: ja zeggen tegen het leven. Hoe het er ook uitziet. Hij schrijft: ‘Geloof is: ontdekken dat je, in het diepst van je ziel, in het hart van wie je bent, bewogen wordt om voor het leven dankbaar te zijn.’ (De Vos)

Volgens De Vos veroorzaakte zijn boek een stille sensatie. In Trouw vergeleek Willem Jan Otten, die het vertaalde, het met Pascals Pensées. Het wordt in tal van leesclubs gelezen, er werden al snel herdrukken opgelegd. En Wim Brands schreef:

Als ik zeg dat het lezen en herlezen van Mijn heldere afgrond mij niet onberoerd liet, verzwijg ik wat er daadwerkelijk met mij gebeurde: Wiman bezorgde me met zijn boek over geloven, poëzie en sterven inzichten waarvan ik niet had durven vermoeden dat ze me ooit deelachtig zouden worden. Een inzicht over de dood bijvoorbeeld, dat ik nog steeds bijna niet te bevatten vind.’ 

De Vos verwijst naar Wiman die een ernstige ziekte achter de rug heeft, en zegt:

Bestaan, echt bestaan, vervult je met ontzag. Dat ontzag doet je je dingen afvragen over de aanwezigheid van God. Iedereen is tot het uiterste in leven. Denk maar aan hoeveel je leven voor je betekent. Ook voor degenen van wie je zou denken dat het leven niet ‘heerlijk’ is. Ook die vinden in leven-zijn belangrijk, elke keer weer.’ (Wiman)

Volgens Wiman is het de poëzie die maakt dat je je tot God wendt. Poëzie komt nog vóór geloof.

Je moet eerst inspiratie hebben, je moet je eerst iets afvragen, voor je zelfs maar op het idee komt van God. Waarom zou je het anders over God hebben. Daar zie ik dan niet de zin van in,’ zegt hij. ‘Het is poëzie die maakt dat je je tot God wendt.’ (DV)

Wiman schetst een beeld van een ‘hemelwaarts vliegende boom’, die hem veel vreugde schonk. Hij schreef er een gedicht over: From a window, in een deplorabele stemming, maar wat hij schreef, schonk hem iets. ‘Het explodeerde in geluk’, het vormde de ervaring in plaats van dat het die weergaf.


From a window

Incurable and unbelieving
in any truth but the truth of grieving,

I saw a tree inside a tree
rise kaleidoscopically

as if the leaves had livelier ghosts.
I pressed my face as close

to the pane as I could get
to watch that fitful, fluent spirit

that seemed a single being undefined
or countless beings of one mind

haul its strange cohesion
beyond the limits of my vision

over the house heavenwards.
Of course I knew those leaves were birds.

Of course that old tree stood
exactly as it had and would

(but why should it seem fuller now?)
and though a man’s mind might endow

even a tree with some excess
of life to which a man seems witness,

that life is not the life of men.
And that is where the joy came in.

(Uit: Every Riven Thing: Poems, Christian Wiman)


In één keer heeft hij het opgeschreven zegt hij. Met rijm en al, met vogels, met hemelwaarts visioen, alles. En het gedicht, met zijn lichte ritme, versnellend naar het eind en dan inhoudend om tot de conclusie te geraken: ‘that life is not the life of men’ biedt ook de lezer het beeld van de vliegende boom en de overtuiging dat er, hoewel er niets buitenaards gebeurde, toch meer is te ervaren dan eenvoudigweg een boom die ergens staat. Of dat geloof is? Dat doet er misschien niet zo toe. Het was een beeld dat hem hielp om te leven én om zijn mogelijke sterven te aanvaarden.’ (DV)

Essayist en dichter Joost Baars, die aan het gesprek deelnam, vertelde heel goed te kunnen begrijpen waarom men het christendom verwerpt om zijn imperialisme, zijn dogmatisme, zijn bigotterie.

Maar het christendom viert ook de onmogelijkheid, zegt Baars, en dat hebben we nodig. En dichters als Wiman begeven zich in die onmogelijkheid.’ (DV)

De Vos vraagt zich vervolgens aan Wiman wat het betekent om je in de onmogelijkheid te begeven. Onmogelijke woorden gebruiken als ‘God’.  

Omdat ik nu eenmaal in die traditie sta,’ zegt hij. Het mooiste zou het wellicht zijn om het hele woord God niet nodig te hebben, veronderstelt hij, zoals Rilke die in een brief schreef dat alles naar zijn gevoel dusdanig vervuld werd van God dat het geen enkele zin meer had om over een daarvan afgezonderde ervaring van ‘God’ te spreken.’ (DV)

Wiman lijkt dat ook wel te willen, maar zijn geloof overtuigt hem lang niet altijd voldoende. Geloof is voor Wiman ook geen verlossend antwoord op alle vragen.

Hoezeer hij daar soms ook naar verlangt: naar rust, naar ontspannen evenwicht. Alle dingen nieuw. Wiman: ‘Maar geloof is geen nieuw leven in deze zin; het is het oude leven nieuw gezien.’

Zie: Bestaan, echt bestaan, vervult je met ontzag (NRC 26-11-2016 en via Blendle)

Zoeken naar God in het oneindige

hubble-1
‘Daar waar de een God ziet, daar ziet de ander een grote leegte. Niets gaat minder op voor het rondkijken in de immense ruimte. Ik wil je kort meenemen op een reis voorbij onze wereld, even de blik verleggen van hier naar het eindeloze. Zoek met me mee naar God in het oneindige. Als je hem al moet kunnen vinden.’ Aldus Internetpastor Wouter van der Toorn, van creatov.nl, in zijn blog God van een lichtblauw vlekje. ‘Eeuwen lang heeft de mens geleefd in het idee dat het bestaan hier en nu, alles wat wij kunnen zien en waarnemen, dat dat alles is wat er bestaat.’

Er was geen noodzaak om na te denken over een ronde aarde in plaats van een platte, want een mens die ooit de wereld rond (!) zou kunnen reizen, die was er toch niet. Tot niemand het randje van de aarde kon vinden. Tot er mensen waren die anders gingen kijken naar dezelfde werkelijkheid.’

Van der Toorn vraagt zich af wat betekent eigenlijk een zin als ‘God had de wereld zo lief…’ in dit letterlijk eindeloze perspectief. Wat doet de wereld er eigenlijk toe, alles is zo klein, zo niets, slechts een vlekje in een eindeloos heelal. Dat gevoel kan je overvallen als je voor een momentje even anders gaat kijken.

God maakte alles zeg je? Hij heeft alle haren geteld, kent ieder beestje, weet van het bestaan van de miljoenen soorten die leven op deze aarde, en de veelvoud aan soorten die alweer zijn uitgestorven? En je denkt dat dit de enige plek in het oneindige heelal is, waarop leven is te vinden? En zouden zij ook God aanbidden? Een die ook persoonlijk is?’

De een ziet het, zegt Van der Toorn, de ander niet of niet meer. De een gaat een lied voor God zingen vol verwondering en aanbidding, de ander pijnigt zijn brein om de eindeloosheid te kunnen vatten, en het proberen om de consequenties van al die gedachten op een rijtje te krijgen. Om zich vervolgens af te vragen of God wel zin heeft.

Maar God, wat is zijn plek in deze eindeloosheid? Heeft zo’n perspectief op God wel zin? Wij in het zo eindeloze kleine. En wij denken dat alles om ons draait? Om spirituele ervaringen? Voor sommigen is deze ervaring een start van een proces van afscheid nemen van geloof. God past niet in deze context. God doet grote dingen zeg je? Wat bedoel je dan met groot? In het beperkte perspectief van hier is een aardbeving iets vreselijks, een storm kan gigantisch zijn. Maar het is minder dan niets in het perspectief van een exploderend sterrenstelsel.’

Van der Toorn stelt dat daar waar de ene de onzinnigheid van een God ziet, de ander de grootsheid van God ziet. Maar God zien? Dat heeft niemand. God begrijpen? Dat doet niemand. Is God een conceptuele gedachte die je gebruikt om dat wat je niet begrijpt te duiden? Is God liefhebbend en persoonlijk? Maar wat betekent dat liefhebbende dan, vraagt hij zich vervolgens af, als hij even meereist met de Voyager 1 en hij van enorme afstand terugkijkt en nagenoeg niets ziet.

Zie jij God? Of zie je vooral het niets. Ik geef maar even geen antwoorden. Natuurlijk kan ik je ingestudeerde antwoorden geven van het bekende wereldbeeld, maar ik wil het op mezelf laten inwerken. En serieus de vraag stellen: als God er dan al is (eerlijke vraag), wie is God dan in vredesnaam (ook eerlijke vraag), en kan ik deze God dan ook ergens ontdekken (nog een eerlijke vraag).’

Zie: God van een lichtblauw vlekje

Foto: Middenin het M51 sterrenstelsel is een X-vormige constellatie gevonden. Dit is 1100 lichtjaren van de aarde verwijderd. Bron foto: hubblesite.org