Immanuel Kant en ‘iets’ buiten de waarneembare wereld

ZodiiRisvegliodiunadea.altervista.org

Metafysica kan zich weliswaar niet in het domein van de werkelijkheid zoals ze is (Ding an sich) begeven, maar de meest invloedrijke filosoof van de moderne tijd Immanuel Kant vond dat zij wel de grenzen kan onderzoeken tussen dit domein en het domein van de zintuiglijk waarneembare wereld. Waar wetenschap zich richt op het zintuiglijk waarneembare, richt de metafysica zich op wat zich aan de waarneming onttrekt.

De bevindingen van Immanuel Kant (1724 – 1804) zetten de wereld op zijn kop: het gaat er niet langer om hoe de werkelijkheid is, maar om hoe wij haar zien. Volgens Kant zien wij de wereld niet zoals zij werkelijk is, maar zoals zij zich aan ons voordoet.

De werkelijkheid zoals ze is
V
olgens Kant kent de mens de werkelijkheid dus alleen zoals hij of zij deze waarneemt en interpreteert, overeenkomstig de waarnemingsvormen en verstandscategorieën die ‘a priori’ in het bewustzijn aanwezig zijn. In zijn tijd denkt men dat de mens een onbeschreven blad is – een tabula rasa – en dat bewustwording van de wereld pas bij waarneming begint.

Onwaar,’ zegt Kant, ‘want als het verstand geen enkele structuur aan die waarneming toevoegt, snappen we niks van wat we zien. En die structuur – zeg, de poffertjespan – gaat noodzakelijk vooraf, ‘a priori’, aan de waarneming. Eerst de kuiltjes, dan het deeg.’

De Duitse filosoof Erich Adickes vergelijkt de waarnemingsvormen met de bolle ogen waarmee een kikker ter wereld komt: men neemt aan dat een kikker de werkelijkheid alleen in ronde vormen ziet op grond van de structuur van zijn ogen. Op dezelfde wijze kan de mens niets weten over de werkelijkheid op zichzelf, omdat de mens de werkelijkheid alleen kent zoals deze zich aan hem of haar voordoet. Ding an sich wordt ook wel tegenover Erscheinung gezet: het ding zoals het zich aan ons kennen presenteert en we het kennen kunnen.

Onze kennis moet volgens Kant uitgaan van datgene wat in de zintuiglijke ervaring gegeven is; maar deze ervaringsgegevens moeten vervolgens met behulp van het verstand gedacht worden in een meer algemene samenhang om daardoor een betrouwbare kennis van de aan ons verschijnende werkelijkheid op te leveren.

Hiermee geeft Kant ook de grenzen aan van het menselijk kennen; datgene wat aan de overzijde van die verschijningen ligt, het ding op zichzelf (Ding an sich) is voor onze kennis onbereikbaar, en wanneer de rede het wel wil proberen te kennen, vervalt ze in schijnredeneringen en schijnconclusies.

Kant maakt op deze manier onderscheid tussen de kenbare wereld enerzijds, die bestaat uit de dingen zoals ze aan ons verschijnen, en de dingen zoals ze zijn. Die laatste kunnen we niet kennen omdat we er geen toegang toe hebben. De wereld van de verschijnselen is het domein van de wetenschappen, en wel toegankelijk.

De werkelijkheid voor mij
Men spreekt ook wel over de werkelijkheid voor mij (Ding für mich): de manier waarop de werkelijkheid aan mij verschijnt. Volgens Kant structureert de manier waarop we denken de realiteit zoals wij die waarnemen. We weten alleen hoe de wereld aan ons verschijnt en niet hoe die wereld daadwerkelijk is.

Filosoof Rienk-Jan Benedictus stelt dat het aangeboren denkvermogen ervoor zorgt dat de werkelijkheid slechts ‘geïnterpreteerd’ wordt. Het Ding an sich, de wereld zoals hij ‘echt’ is, kan de mens (volgens Kant) niet kennen. Mensen kennen slechts de Dinge für mich: de manier waarop de wereld en alle dingen persoonlijk worden ervaren. Er is altijd sprake van een subjectieve interpretatie van de waargenomen werkelijkheid.

SAMSUNG DIGIMAX 420
Metafysica

Veel belangrijker en verhevener dan het domein van de alledaagse, zintuiglijke ervaring, vindt Kant de metafysica. Alleen maar fysica vindt hij verarming van het leven, ook al is de mensheid in zijn ogen tot nu toe weinig wijzer geworden van de metafysica. Grote metafysische vragen vindt hij, zoals gezegd, de vragen naar God, maar ook naar wilsvrijheid en de onsterfelijkheid van de ziel. Bovendien weigert het menselijke hart te geloven in een universum zonder doel. Kant vraagt zich tegelijk af of metafysica wel mogelijk is.


Twee dingen vervullen ons met steeds nieuwe, stijgende bewondering en eerbied, hoe vaker en intenser het denken zich ermee bezighoudt: de sterrenhemel boven mij en de zedelijke wet in mij… De aanblik van de eindeloos vele werelden vernietigt als het ware mijn belangrijkheid; ik ben een dierlijk schepsel dat de materie waaruit het ontstond weer terug moet geven aan de planeet (niets dan een punt in een heelal), nadat het korte tijd (men weet niet hoe) van levenskracht voorzien is geweest. Maar de tweede verhoogt mijn waarde; ik ben een intelligentie, oneindig door mijn persoonlijkheid, waarin de zedelijke wet mij een waarde openbaart die onafhankelijk is van het dier zijn en zelfs van de hele zintuiglijke wereld… (Kant in: Kritiek van de zuivere rede)


Even lijkt het erop dat Kant de metafysica eerder als een onmogelijkheid zal bestempelen dan deze veilig te stellen, omdat hij zelf denkt dat we nooit te weten kunnen komen hoe de dingen op zichzelf zijn. Onze kennis heeft immers uitsluitend betrekking op de verschijningen, dus op de waarneembare wereld. Kant blijft altijd het idee houden dat de ‘gevaarlijke mogelijkheid’ bestaat dat al onze metafysische gedachten niet meer zijn dan onze eigen hersenspinsels.

Toch maakt Kant in zijn boek Prolegomena (1783) duidelijk dat hij ook na zijn kritisch onderzoek nog wel degelijk mogelijkheden ziet voor een metafysica. Kant kan de dingen niet kennen zoals ze op zichzelf zijn, vindt hij, maar wel zoals ze voor hem zijn, dus in hun relatie tot de wereld waarvan hij deel uitmaakt. Anders gezegd: de metafysica kan zich weliswaar niet in het domein van het Ding an sich begeven, maar Kant vindt dat zij wel de grenzen kan onderzoeken tussen dit domein en het domein van de zintuiglijk waarneembare wereld. Waar wetenschap zich richt op het zintuiglijk waarneembare, richt de metafysica zich op wat zich aan de waarneming onttrekt.


Als Kant schrijft dat de aanleg tot transcendente begrippen in onze rede op ‘natuurlijke doelen’ moet zijn gericht, ‘omdat alles wat in de natuur ligt oorspronkelijk toch aan een nuttig doel moet beantwoorden’, grijpt hij terug op Aristoteles’ gedachte van een perfect georganiseerde wereld waarin alles een doel heeft en niets voor niets bestaat. Het bestaan van een voorzienige, planmatig te werk gaande Schepper lijkt daarbij al te zijn verondersteld. Maar ook op deze wijze kan het bestaan van God niet worden bewezen, hooguit waarschijnlijk geacht. (Trouw)


Kant stelt dat er iets is, iets dat buiten de zintuiglijk waarneembare wereld ligt waarmee wij in ons dagelijks bestaan te maken hebben. Hij beklemtoont zelfs dat de menselijke rede een natuurlijke aanleg heeft tot metafysica die beantwoordt aan een even natuurlijke behoefte om de alledaagse leefwereld te ontstijgen.


Onze handelingsvrijheid, het bestaan van God of van een onsterfelijke ziel zijn zaken die we strikt genomen niet kunnen bewijzen, maar die aan gene zijde van de grens zeer wel mogelijk zijn, en die in ons morele handelen zelfs onontbeerlijke uitgangspunten zijn. Door de onbedwingbare behoefte verder te zoeken dan de ons bekende werkelijkheid worden we volgens Immanuel Kant behoed voor de grote gevaren die ons wereld- en mensbeeld bedreigen: het fatalisme, het materialisme en het naturalisme. (Trouw)


Bronnen o.a.: IJzeren lijst, Kritik der reinen Vernunft van Immanuel Kant, Alexandra van Ditmars, filosofie.nl | Kant und das Ding an sich, Erich Adickes, 1977 | De kritiek op Kants filosofie, Tilburg School of  Catholic Theology, Tilburg University | Immanuel Kant en zijn visie op de werkelijkheid, Rienk-Jan Benedictus, isgeschiedenis.nl | Aristoteles, de eerste filosofie, Carlos Steel, Historische Uitgeverij, Groningen | Wat is metafysica? Tilburg School of Humanities, Tilburg University, Verantwoordelijk docent prof. dr. P.H.A.I. Jonkers en prof. dr. ing. R.P.H. Munnik; techniek drs. N.C. de Groot | Prolegomena, Immanuel Kant, Uitgeverij Boom, Amsterdam, oorspr. 1783, uitgave 1999 | Kant veroorzaakte een revolutie in de wijsbegeerte, Trouw, 10 juli 1999.

Beeld: risvegliodiunadea.altervista.org

Foto: Harald Haacke – Standbeeld van Immanuel Kant in Kaliningrad (Königsberg), Rusland. Replica door Harald Haacke van het origineel door Christian Daniel Rauch, verloren gegaan in 1945.

Advertenties

‘God bestaat steeds minder’

godbestaatsteeedsminder

‘God is een typisch gevalletje van projectie; menselijke intuïtie is geen bewijs voor God; gebeden worden niet verhoord; wonderen bestaan niet’. Dit zijn een aantal favoriete argumenten tegen Gods bestaan. ‘De overtuiging dat God niet bestaat, wint aan overtuiging,’ zegt theoloog Marinus de Jong. Onlangs schreef hij een boekje over 21 redenen om (niet) in God te geloven. Hij wordt geïnspireerd door de Tsjechische priester Tomas Halik, die stelt dat het atheïsme aandacht vraagt voor de verborgen kanten van God. Maar eigenlijk probeert De Jong slechts aan te tonen dat God ongrijpbaar is: Hij laat zich niet vangen in onze overtuigingen.

Er zijn steeds meer mensen die niet in God geloven. Het atheïsme is de snelst groeiende geloofsovertuiging ter wereld, zo toonde recent onderzoek aan. Dat geldt vooral, maar niet alleen, voor de westerse wereld. Dit gaat dus ook over Nederland: steeds meer mensen geloven niet in God. (Uit: Altijd groter)


2. God as immaterial and yet with biological functions is unconvincing
It’s self-contradictory to say God is ‘immaterial’ and in the same breath say God sees, hears, speaks, and feels—all of which are functions of biological, material organisms. What does God ‘see’ with if not a material eye? ‘Hear’ with if not a material ear? ‘Speak’ with without a material mouth? These descriptions of God are self-contradictory and nonsensical. (H. McKenna, Ph.D. – Senior Lecture, History of Religious Ideas, University of California Irvine – Huffington Post)


De 21 redenen plukte Marinus de Jong uit de Huffington Post (God Is Unconvincing To Smart Folks) en houdt ze nu tegen het licht in Altijd groter, dat weer een bundeling is van De Jongs blogs bij de EO zoals Geloof is biologisch verklaarbaar; Jezus vond wonderen ook niet erg overtuigend, en: Is God de oorzaak van het ontstaan van de kosmos?

Er zijn veel redenen waarom geloven in God niet overtuigend is. Hoe kan God nou goed zijn terwijl er zoveel kwaad is? En wat te denken van de Bijbel; er zijn toch zoveel heilige boeken? En een intuïtie dat God bestaat, dat is biologisch goed te verklaren.’ (Uit: Altijd groter)

Volgens uitgever Vuurbaak bespreekt theoloog Marinus de Jong in dit boek de 21 redenen, maar niet om te laten zien dat ze niet waar zijn. Ook niet om te concluderen dat geloven in God onzinnig is. Hij gaat op zoek naar hoe deze redenen ons helpen om onze gedachten over de ongrijpbare God te scherpen. Dat hij een God is die steeds weer aan onze beelden ontsnapt en zich niet laat vangen in onze overtuigingen.


12. God is not a convincing cause of the universe
God is not a solution as to the origin of the universe but only another layer of mystery. What caused God? It’s more believable that a material universe emerged from preexistent matter or energy than from a non-material Mind. (McKenna – Huffington Post)


altijdgroter

De Jong verwijst naar filosoof Ludwig Andreas Feuerbach die zei dat God een psychologisch trucje van de hersenen is, een projectie van onze angsten en verlangens. Wij zijn bang voor de dood, dus bedenken we een God die ons een hemel geeft. Nietzsche deed volgens de Jong daar nog een schepje bovenop: het zijn dus de mietjes die in God geloven. Geloof in God is het ultieme zwaktebod. De echte, sterke mens weet dat hij het zonder God moet doen. Maar God is altijd groter, zegt de Jong. Hij vraagt zich ook af of wetenschappers kunnen bepalen of God bestaat.

Wetenschap werd geboren in de schoot van de kerk: in de kloosters. Wetenschap begon met nieuwsgierigheid naar God en aanbidding van God met het verstand. Eeuwenlang was de relatie tussen wetenschap en geloof harmonieus en wederzijds verrijkend. De wetenschap opent de ogen voor de schoonheid van God zelf. Zij geven meer inzicht in wie God is, hoeveel Hij kan en heeft gedaan en waarvan Hij geniet. Verklaren in vertrouwen leidt niet tot geloofsafval. Het leidt tot verdiepte aanbidding van de God die nog mooier is dan Zijn schepping.’ (Uit: Altijd groter)

Volgens De Jong mag God dan altijd groter zijn, maar Hij is ook dichtbij. Hij verwijst dan naar Abraham Kuyper die zei: ‘Tienmaal liever gedweept en gedwaald met deze warme en bezielde pantheïsten [alles is God], dan bevroren en versteend bij het afgemeten en wezenloos deïstisch [God laat deze wereld aan zijn lot over] gezeur’.

Pantheïsme, vandaag de dag erg populair, betekent dat deze wereld zelf eigenlijk God is. God is dan een manier om het bijzondere, het verhevene van de wereld zelf te benoemen. God is niet ergens anders of iets anders en dus ook geen persoon. Uiteindelijk betekent pantheïsme ook: God,  dat ben je zelf.’ Deïsme betekent dat God de wereld ooit maakte, maar zich er nu niet meer mee bemoeit. Hij is als een horlogemaker die de wereld en de mens prachtig maakte, maar het horloge heeft verkocht. Dit zijn allebei uitersten die door het orthodox-christelijk geloof altijd zijn vermeden. Kuyper sluit daarbij aan, maar wil met zijn dilemma laten zien dat we God niet te los van de wereld moeten maken.’  (Uit: Altijd groter)

Altijd groter | Marinus de Jong | Uitgever: Vuurbaak | april 2018 | ISBN 9789055605392 | 104 pp. | €12,50

Zie ook: 21 redenen om (niet) in God te geloven

Beeld: De schepping van Adam is een onderdeel van het fresco op het gewelf van de Sixtijnse Kapel in Vaticaanstad geschilderd door Michelangelo rond 1511.