De islam heeft toch ook zijn Luther

Ibn Taymiyya

Twee reformisten. Een in het christendom en een in de islam. ‘Zowel Luther als Ibn Taymiyya stellen het sola scriptura als enige toegestane benadering van de Bijbel respectievelijk Koran centraal,’ zo stelt professor in de dialoog tussen de godsdiensten Marcel Poorthuis op het Leiden Islam Blog. Hij vindt het interessant dat de twee verwante ideeën hadden. Zijn conclusie luidt dan ook dat de islamitisch geestelijke en filosoof Ibn Taymiyya de islamitische Luther is.

Sola scriptura stelt dat de Schrift (de Bijbel) de bron, norm en het fundament is van geloof en levenspraktijk. De Schrift heeft uniek gezag. De Koran evenzo, aldus Poorthuis. De schrift is de stem van God en heeft ultiem gezag, zeggen sommige bronnen.

Allereerst is daar de uitleg van de heilige Schrift. Zowel Luther als Ibn Taymiyya stellen het sola scriptura als enige toegestane benadering van de Bijbel respectievelijk Koran centraal. Daarbij nemen zij beide uitdrukkelijk standpunt in tegen de joodse verhalende uitlegtraditie, die centraal staat in de midrasj, de joodse uitleg van de Torah.’

Volgens Poorthuis voerde Luther een frontale aanval uit op de kerkelijke claim dat ook de traditie een heilig gezag zou bezitten, en ageerde Ibn Taymiyya (1263 – 1328) sterk tegen het gezag dat gegeven wordt aan tradities die buiten de tekst van de Koran circuleren.

Ibn Taymiyya staat volgens Poorthuis in een stroming die de zeer vele verhalen – een ‘reusachtig reservoir’ – rond de islam diepgaand wantrouwt. Taymiyya propageert terug te gaan naar de Schrift, in dit geval de Koran. Hij was de krachtigste pleitbezorger van de ‘alleen-de-Koran’ beweging, en is er geen plaats voor dubieuze handelingen waarmee de Bijbel vol zit.

De islamitisch geestelijke sluit zich aan, aldus Poorthuis, bij de corruptie-these, die stelt dat de Koran niet de corruptie (tahrif) bevat die de Bijbel wel aankleeft.

Dit idee werd door denkers vóór hem al uitgedragen, zoals Ibn Hazm (994-1064) met zijn een grootscheepse aanval op de evangeliën en op ‘joodse fabels’.’

Daarnaast zegt Poorthuis dat er nog een frappante verwantschap was in de ideeën van Luther en Ibn Taymiyya, namelijk hun weerstand tegen heiligenverering en volksdevotionele gebruiken.

Ibn Taymiyya was niet tegen het soefisme als zodanig en evenmin tegen mystiek, zoals in het verleden wel gedacht is en zoals moslimfundamentalisme vandaag de dag graag mag claimen.’

Volgens de professor aan de Faculteit Katholieke Theologie van de Universiteit van Tilburg hield Luther ook grote opruiming onder de heiligenverering en de devotionele gebruiken van relikwieën en pelgrimages naar heilige plaatsen.

Het is jammer dat mensen als Luther en Ibn Taymiyya niet nu leven. Er is immers nog veel werk aan de winkel in het land van Bijbel en Koran. Het christendom had zijn Luther, maar een islamitische Luther zou nu erg welkom zijn. Stellingen te over om vast te nagelen op moskeedeuren.

Zie Leiden Islam Blog: Ibn Taymiyya: de islamitische Luther?

Advertenties

De moderne droom van de Godgeworden mens

12

‘Wie kan de definitieve uitkomst voorzien?’ vroeg Freud zich ooit af, geciteerd door filosoof Ger Groot in De geest uit de fles. Freud had het toen over ‘de eindeloze reeks van zelfontwerpen zonder richtsnoer of doel die tot een gevoel van onbehagen leidt’. Religie speelt bij de uitkomst ervan misschien een grotere rol dan Groot zelf vermoedt, ook gezien het feit dat er op aarde vele malen meer gelovigen dan ongelovigen zijn, aldus Simone Bassie & Michel Dijkstra in een recensie over zijn boek in hun artikel De denker en de dode God.  

De filosofie wil net als haar tweelingzusje de wetenschap, de mens en zijn wereld begrijpen en daar zijn altijd onvermijdelijk dromen, visioenen en beloften mee gepaard gegaan.’ (Ger Groot)

Kennis en inzicht gaan volgens de auteurs – in Volzin – nu eenmaal gepaard met zulke zaken. Het bijzondere van filosofie is volgens Groot echter dat zij ‘nooit bij zichzelf blijft stilstaan, altijd op zichzelf vooruitloopt en een toekomst ontwerpt – die zich zelden op die manier waarmaakt.’ Wijsgerig denken wordt dus gekenmerkt door openheid en het kritisch bevragen van eerdere ideeën en vooronderstellingen, aldus Bassie en Dijkstra.

Volgens Groot is de geschiedenis van de moderne wijsbegeerte ‘één aanhoudende poging in het reine te komen met dit verlies van een goddelijk ankerpunt. De betekenis daarvan gaat veel verder dan de religieuze vraag of iemand in God gelooft’.’

degeestuitdeflesHoewel de filosoof atheïst is, schuift hij volgens Bassie en Dijkstra het fenomeen religieus geloof niet zomaar terzijde.

Groot stelt dat de zogenaamde ‘architectuur van het denken’ radicaal veranderd is door de reflectie op de dood van God. De Schepper viel namelijk samen met de absolute waarheid en werkelijkheid, maar de mens kan zich die rol nooit aanmeten: ‘Wanneer de mens in de moderne tijd ‘God wordt’ of minstens ‘voor God speelt’, zoals soms gezegd wordt, moet hij zich tegelijk rekenschap afleggen van de eindigheid of beperkingen die voor hem nu eenmaal wezenlijk zijn.’ Op die manier heeft het verdwijnen van het goddelijke fundament van de werkelijkheid de moderne mens gemaakt tot wie hij is.’ 

Paradoxaal genoeg, zo zeggen de auteurs, heeft het christendom zelf de afsterving van het geloof voorbereid. Het protestantisme brengt door zijn nadruk op de intimiteit van de gelovige met God, aldus de auteurs, namelijk het instituut kerk ongewild in diskrediet, en zo komt de absolute, uit de middeleeuwen stammende macht van de religie over de mens in gevaar:

Juist in haar toespitsing op de individuele mens bereidde de Reformatie in veel opzichten het moderne perspectief voor, waarin God steeds minder en de mens steeds meer de spil en grondslag van de wereld werd.’

Of je deze ontwikkeling nu positief of negatief beoordeelt, zeggen zij, maakt volgens Groot niet zoveel uit. Tenminste, als je de filosofische problematiek goed tot je laat doordringen:

Zolang de moderne droom van de Godgeworden mens duurt, ontkomt de filosofie niet aan de contradictie tussen de humanistische pretentie in hem een nieuwe grondslag van alles te hebben gevonden en het menselijk onvermogen daaraan te beantwoorden.’ 

04_oratio_de boer-groot_omslag_voorzijdeOp het eerste gezicht lijkt Groot zich met deze analyse in De geest uit de fles puur negatief uit te spreken over de rol van religie in de moderne tijd, aldus de recensenten, en zij stellen dat in een eerder werk, de met Theo de Boer gepubliceerde dialoog Religie zonder god (2013), Groot echter een ander perspectief schetst op religieus geloof.

Godsdienst laat ‘een opening in de werkelijkheid zien die het denken niet kan dichten’.’

Bassie en Dijkstra stellen dat volgens Groot een plechtige religieuze handeling de mens op het transcendente wijst en dat deze transcendentie echter uitdrukkelijk niet slaat op een de zichtbare werkelijkheid overstijgend wezen.

Integendeel: met Sartre vult Groot dit begrip juist zeer aards in. Door het bijwonen van een ritueel wordt de mens namelijk geconfronteerd met datgene wat zijn ego of bewustzijn overstijgt, namelijk de wereld of de medemens. Deze ontmoeting met de ander of het andere is precies wat de moderne mens nodig heeft.’

De auteurs vinden dat de moderniteit zich namelijk niet alleen kenmerkt door een reflectie op het verlies van God als de absolute waarheid, maar ook door de gerichtheid van het subject op zichzelf.

Met andere woorden: in de moderne tijd trekt de filosofie zich terug uit de werkelijkheid om zich puur op de inwendigheid van het bewustzijn te richten. Groot: ‘Als er immers íets is dat dit moderne subject kenmerkt, dan is het wel het feit dat het een zuivere innerlijkheid geworden is’.’

De vraag die zich bij deze these opdringt aan Bassie en Dijkstra is of Groot niet te veel aan de buitenkant van religie blijft staan.

Is religie voor een gemiddelde gelovige inderdaad hoofdzakelijk een praxis en denkt hij nooit na over wie God is en wat zijn verhouding ten opzichte van de Schepper inhoudt? Beschouwt hij God niet als iets dat of iemand die de zichtbare werkelijkheid overstijgt, dus de transcendente instantie die een ritueel als bidden zin geeft? Het is zeer de vraag of een gelovige zichzelf in het betoog van Groot kan herkennen.’

Ger Groot | De geest uit de fles | Lemniscaat | 360 blz. | € 34,50 | Theo de Boer & Ger Groot | Religie zonder God. Een dialoog | Sjibollet | 119 blz. | € 17,95

Zie: De denker en de dode God

Beeld: despiertacordoba.wordpress.com

‘Denkfout in het boeddhisme: de negativiteit’

BOEDDHAwilshart.nl

‘Klopt de boeddhistische stelling dat alle lijden uit begeerte voortkomt?’ is de vraag van Germen op Visionair. Hij vraagt zich af hoe het boeddhisme er uitgezien zou hebben als Boeddha niet de vier Nobele Waarheden had ontdekt, maar een andere oplossing voor het lijden had gevonden. ‘Begeerte houdt ons in leven en laat ons van het leven genieten,’ luidt zijn antwoord. 

In een nieuwe serie verkent Visionair het cruciale moment in de levensloop van de stichters van drie wereldreligies: Boeddha, Jezus en Mohammed, waarin hun religieuze activiteiten hun definitieve richting kregen. Wat als ze andere keuzes hadden gemaakt?

Deel een gaat over een van de meest invloedrijke denkers ooit: prins Siddharta Gautama, de grondlegger van de boeddhistische filosofie en religie. Hij was de kroonprins van de Shakya’s, een clan in de Terai, de zuidelijke laagvlakte van wat nu Nepal is. De precieze omstandigheden van zijn leven zijn niet bekend, maar veel overleveringen zijn het over belangrijke ideeën van het boeddhisme wel met elkaar eens.

Gautama, de grondlegger van de boeddhistische filosofie en religie, mediteerde tot hij een oplossing vond voor het menselijk lijden. Daaraan wilde hij een einde maken. Dat leidde uiteindelijk tot de Vier Edele Waarheden en het Achtvoudige Pad. De Vier Edele Waarheden stellen dat er lijden is, dat het lijden een oorzaak heeft die kan worden opgeheven door het Achtvoudige Pad te volgen. Het Achtvoudig Pad gaat over het juiste begrip of inzicht; de juiste gedachten; het juiste spreken; het juiste handelen; juiste wijze van levensonderhoud; juiste inspanning; juiste indachtigheid / meditatie, en de juiste concentratie.

Germen zegt dat het boeddhisme de meest logisch gestructureerde is van de religies en steeds populairder in de westerse wereld. Ook is het logisch consistent, wat een grootheid als Albert Einstein er toe bracht het boeddhisme de meest wetenschappelijke van de religies te noemen.

Toch zit er een ernstige denkfout in het boeddhisme: de negativiteit. Het volledig verdwijnen van begeerte betekent uiteindelijk de dood, het terugkeren naar een nuldimensionale ruimte. Begeerte houdt ons in leven en laat ons van het leven genieten.’

De auteur stelt dat het lijden niet stopt door het te ontkennen, maar dat wel een zwakkere versie van het boeddhisme kan standhouden:

Veel lijden ontstaat door vermijdbaar lijden, zoals onzinnige begeerte of andere levende wezens onnodig kwaad doen.  De begeerte naar een dure auto is onzinnig. De begeerte naar gezond zijn, een volle maag, liefde of een lang en gelukkig leven is dat niet.’

De gewijzigde Edele Waarheden zouden volgens de visionair denker dan iets geworden zijn, waarbij het gewijzigde Pad zich had kunnen richten op wetenschappelijk onderzoek om onvermijdelijk lijden aan te pakken, en dat dat had mogelijk kunnen leiden tot het ontwikkelen van de wetenschappelijke methode en een einde aan heel veel menselijk leed. De Vier Edele Waarheden hadden dan zo geklonken:

‘1. Leven is lijden.
2. Er bestaat onvermijdelijk lijden, vermijdbaar lijden en zelf-aangebracht lijden.
3. Alle vormen van lijden hebben een oorzaak.
4. Elke oorzaak van lijden is aan te pakken, als de oorzaak eenmaal gevonden is.’

Zie: Wat als: Siddharta Gautama tot een andere conclusie was gekomen dan het boeddhisme?

Beeld: Wils (H)art – Boeddha, uit thema Leven, een van de schilderijen van Wils (H)art die staan voor alles wat zij voelt, wanneer zij denkt aan Boeddha, sereen en integer. Een voorbeeld en inspiratiebron voor het bereiken van verlichting en inzicht door het zuiveren van negativiteit. Hart zegt er haar kracht uit te halen omdat daarna immers positieve eigenschappen zoals liefde, mededogen, vreugde en gelijkmoedigheid vanzelf tot ontwikkeling kunnen komen.