Promoveren op Jezus als Zoon van God

Fourth_ecumenical_council_of_chalcedon_-_1876

Filosoof en theoloog Geurt Roffel stelt dat wie in de diversiteit aan interpretaties tot een eigen antwoord wil komen op de vraag of Jezus de Zoon van God is, in gesprek moet gaan met anderen. Hij gaat dit gesprek aan door de interpretaties te onderzoeken die zes internationaal toonaangevende christologen geven van de uitspraak ‘Jezus is de Zoon van God’. Dat doet hij op twee elkaar aanvullende manieren, die hij ontleent aan de filosofen Hans-Georg Gadamer en Jacques Derrida.


De eeuwige Koning Christus vroeg aan Zijn leerlingen, voordat Hij aan Petrus, de zoon van Johannes, het bestuur van de Kerk beloofde, wat de mensen en wat zij, de apostelen zelf, van Hem dachten, en prees toen op heel bijzondere wijze het geloof, dat over iedere aanval en stormloop van de helse macht zou zegevieren en dat Petrus, helder verlicht door de hemelse Vader, had uitgesproken met deze woorden: ‘Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.’ (Mt. 16, 16) (rkdocumenten.nl)


Volgens theoloog Tjerk de Reus gaat het debat over de vraag wie Jezus is, altijd weer verder en luistert Roffel naar verschillende visies. Hij schreef het boek En wie ben ik volgens jullie?, gebaseerd op zijn proefschrift – waarmee hij 28 juni promoveerde – over de vraag of Jezus de Zoon van God is. Het vertrekpunt van Roffels studie ligt ver terug in de geschiedenis, ruim vijftienhonderd jaar.

Ik begin bij het concilie van Chalcedon, gehouden in het jaar 451. Daar ging het om de vraag hoe in Jezus het goddelijke en het menselijke kunnen samengaan. In feite sluit ik aan bij het gesprek van destijds, met gesprekspartners uit het heden. Ik vind niet dat we leeruitspraken van het verleden moeten verheffen tot absolute waarheid, maar je moet je er wel toe verhouden, als je vandaag wilt nadenken over wie Jezus was.’ (Roffel)


Om Chalcedon te begrijpen is het nodig te weten dat er in die tijd een sterke opvatting heerste, met name in Constantinopel en Antiochië, dat de twee kanten van Jezus, de goddelijke en de menselijke, sterk van elkaar onderscheiden konden worden. Men zag in Jezus een groeiproces, waarbij het menselijke zich in zijn leven steeds meer naar het goddelijke heeft gevoegd. Wie deze opvatting niet deelden waren bang dat Jezus zo in twee personen werd opgesplitst. Zij beklemtoonden vooral diens eenheid en gingen er vanuit dat die al vóór de geboorte, bij de conceptie, tot stand was gekomen. Vertegenwoordigers van deze stroming waren vooral in Alexandrië te vinden. (Trouw)


geurt-roffel Copyright © 2018. PKN Classis Apeldoorn

Volgens de Rijksuniversiteit Groningen koos Geurt Roffel (foto) voor de hoofdtitel ‘En wie ben ik volgens jullie?’ omdat daarmee het uitgangspunt een persoonlijke vraag van Jezus aan een gemeenschap van mensen is; Jezus stelde deze vraag immers aan zijn leerlingen.

Dat vraagt zowel om een individueel antwoord, als om verbinding van dat antwoord met anderen die ook antwoorden op de vraag.’ (Roffel)

Bij elk van de zes christologen geeft Roffel, volgens De Reus, weer hoe hij hun interpretaties van de uitspraak ‘Jezus is de Zoon van God’ aan de hand van Gadamer ofwel Derrida heeft geanalyseerd, en wat zijn kanttekeningen daarbij zijn.

De manieren waarop beide filosofen teksten interpreteren, hebben volgens Roffel hun sterke en zwakke punten – die komen in zijn proefschrift aan de orde – maar helpen hem om in het slothoofdstuk resultaten uit de eerdere hoofdstukken bijeen te brengen en te structureren tot een coherente eigen visie op de uitspraak ‘Jezus is de Zoon van God’.’


Dat Jezus een ‘wezenseenheid’ met God is, zoals Chalcedon verwoordt, betekent een ‘vergaande verbondenheid’ tussen Jezus en God, aldus Roffel. Hij vindt Chalcedon een geslaagde poging om het geloof in Jezus Christus te belijden, omdat in deze verbondenheid ‘twee onverenigbare uitersten’ zijn samengekomen. ‘Enerzijds worden God- en mens-zijn niet vermengd, noch veranderd en staan zij op zich. Anderzijds zijn ze zo hecht verbonden dat ze niet te scheiden zijn en ook niet te delen. De afstand is zowel onoverbrugbaar groot als onvoorstelbaar klein.’ (vroegekerk.nl)


Toen Roffel Derrida’s werkwijze navolgend, met veel afstand naar de verschillende visies keek, zag hij waar hij zich te gemakkelijk door elk van de christologen had laten overtuigen.

Ik bekeek welke alternatieven zichtbaar werden als ik er met meer afstand over nadacht en moest mezelf dwingen om mijn voorbehoud onder woorden te brengen en te beargumenteren, en tegen de theologen in te denken. Zo ontstaat ruimte voor een eigen visie, die ik in het slothoofdstuk uitwerk. Het mooie aan het hele proces vind ik dat juist pluraliteit kans biedt op verbinding, omdat iedereen in gesprek eigen visies kan ontwikkelen.’ (Rijksuniversiteit Groningen)

enwienenikvolgensjullie

Het prettige van Roffels studie vindt De Reus zijn inclusieve manier van denken: hij ziet geen enkele reden om neer te kijken op de christelijke traditie der eeuwen en de vroege concilies, maar hij neemt ook hedendaagse vragenstellers serieus. Bij die vragenstellers hoort hijzelf ook, zoals hij in de inleiding van zijn boek aangeeft.

De Reus vindt het opvallend hoezeer dit door het hele boek een persoonlijke toonzetting oplevert. ’Ik wilde niet alleen op een rijtje zetten wat die zes theologen vinden’, licht Roffel toe. ’Het schrijven van mijn boek was voor mij in zekere zin een oefening in ‘overgave’ aan een ander, aan denkbeelden en inzichten die mij worden aangereikt.’

En tegelijk wilde Roffel, volgens De Reus, zich ‘overgeven’ aan datgene wat je niet begrijpen kunt. Met die persoonlijke toon sluit Roffel zijn boek ook af. Jezus leefde in zo’n unieke verbondenheid met God, constateert hij, dat hij 2000 jaar na dato nog steeds door vele christenen wordt aangeduid als de Zoon van God. ‘Ook door mij’, besluit Roffel.

Zie:
Is Jezus de zoon van God, of was hij een bijzonder mens? (Tjerk de Reus)
* ‘Met meer tijd had Nestorius Chalcedon kunnen accepteren’ (De Vroege Kerk)
* En wie ben ik volgens jullie? (Rijksuniversiteit Groningen) 

Beeld: Het Vierde Oecumenische Concilie in de Sint-Eufemiakerk in Chalcedon, 451 – Een schilderij door Vasily Surikov

Foto Geurt Roffel: Copyright © 2018. PKN Classis Apeldoorn

Advertenties

‘God bestaat steeds minder’

godbestaatsteeedsminder

‘God is een typisch gevalletje van projectie; menselijke intuïtie is geen bewijs voor God; gebeden worden niet verhoord; wonderen bestaan niet’. Dit zijn een aantal favoriete argumenten tegen Gods bestaan. ‘De overtuiging dat God niet bestaat, wint aan overtuiging,’ zegt theoloog Marinus de Jong. Onlangs schreef hij een boekje over 21 redenen om (niet) in God te geloven. Hij wordt geïnspireerd door de Tsjechische priester Tomas Halik, die stelt dat het atheïsme aandacht vraagt voor de verborgen kanten van God. Maar eigenlijk probeert De Jong slechts aan te tonen dat God ongrijpbaar is: Hij laat zich niet vangen in onze overtuigingen.

Er zijn steeds meer mensen die niet in God geloven. Het atheïsme is de snelst groeiende geloofsovertuiging ter wereld, zo toonde recent onderzoek aan. Dat geldt vooral, maar niet alleen, voor de westerse wereld. Dit gaat dus ook over Nederland: steeds meer mensen geloven niet in God. (Uit: Altijd groter)


2. God as immaterial and yet with biological functions is unconvincing
It’s self-contradictory to say God is ‘immaterial’ and in the same breath say God sees, hears, speaks, and feels—all of which are functions of biological, material organisms. What does God ‘see’ with if not a material eye? ‘Hear’ with if not a material ear? ‘Speak’ with without a material mouth? These descriptions of God are self-contradictory and nonsensical. (H. McKenna, Ph.D. – Senior Lecture, History of Religious Ideas, University of California Irvine – Huffington Post)


De 21 redenen plukte Marinus de Jong uit de Huffington Post (God Is Unconvincing To Smart Folks) en houdt ze nu tegen het licht in Altijd groter, dat weer een bundeling is van De Jongs blogs bij de EO zoals Geloof is biologisch verklaarbaar; Jezus vond wonderen ook niet erg overtuigend, en: Is God de oorzaak van het ontstaan van de kosmos?

Er zijn veel redenen waarom geloven in God niet overtuigend is. Hoe kan God nou goed zijn terwijl er zoveel kwaad is? En wat te denken van de Bijbel; er zijn toch zoveel heilige boeken? En een intuïtie dat God bestaat, dat is biologisch goed te verklaren.’ (Uit: Altijd groter)

Volgens uitgever Vuurbaak bespreekt theoloog Marinus de Jong in dit boek de 21 redenen, maar niet om te laten zien dat ze niet waar zijn. Ook niet om te concluderen dat geloven in God onzinnig is. Hij gaat op zoek naar hoe deze redenen ons helpen om onze gedachten over de ongrijpbare God te scherpen. Dat hij een God is die steeds weer aan onze beelden ontsnapt en zich niet laat vangen in onze overtuigingen.


12. God is not a convincing cause of the universe
God is not a solution as to the origin of the universe but only another layer of mystery. What caused God? It’s more believable that a material universe emerged from preexistent matter or energy than from a non-material Mind. (McKenna – Huffington Post)


altijdgroter

De Jong verwijst naar filosoof Ludwig Andreas Feuerbach die zei dat God een psychologisch trucje van de hersenen is, een projectie van onze angsten en verlangens. Wij zijn bang voor de dood, dus bedenken we een God die ons een hemel geeft. Nietzsche deed volgens de Jong daar nog een schepje bovenop: het zijn dus de mietjes die in God geloven. Geloof in God is het ultieme zwaktebod. De echte, sterke mens weet dat hij het zonder God moet doen. Maar God is altijd groter, zegt de Jong. Hij vraagt zich ook af of wetenschappers kunnen bepalen of God bestaat.

Wetenschap werd geboren in de schoot van de kerk: in de kloosters. Wetenschap begon met nieuwsgierigheid naar God en aanbidding van God met het verstand. Eeuwenlang was de relatie tussen wetenschap en geloof harmonieus en wederzijds verrijkend. De wetenschap opent de ogen voor de schoonheid van God zelf. Zij geven meer inzicht in wie God is, hoeveel Hij kan en heeft gedaan en waarvan Hij geniet. Verklaren in vertrouwen leidt niet tot geloofsafval. Het leidt tot verdiepte aanbidding van de God die nog mooier is dan Zijn schepping.’ (Uit: Altijd groter)

Volgens De Jong mag God dan altijd groter zijn, maar Hij is ook dichtbij. Hij verwijst dan naar Abraham Kuyper die zei: ‘Tienmaal liever gedweept en gedwaald met deze warme en bezielde pantheïsten [alles is God], dan bevroren en versteend bij het afgemeten en wezenloos deïstisch [God laat deze wereld aan zijn lot over] gezeur’.

Pantheïsme, vandaag de dag erg populair, betekent dat deze wereld zelf eigenlijk God is. God is dan een manier om het bijzondere, het verhevene van de wereld zelf te benoemen. God is niet ergens anders of iets anders en dus ook geen persoon. Uiteindelijk betekent pantheïsme ook: God,  dat ben je zelf.’ Deïsme betekent dat God de wereld ooit maakte, maar zich er nu niet meer mee bemoeit. Hij is als een horlogemaker die de wereld en de mens prachtig maakte, maar het horloge heeft verkocht. Dit zijn allebei uitersten die door het orthodox-christelijk geloof altijd zijn vermeden. Kuyper sluit daarbij aan, maar wil met zijn dilemma laten zien dat we God niet te los van de wereld moeten maken.’  (Uit: Altijd groter)

Altijd groter | Marinus de Jong | Uitgever: Vuurbaak | april 2018 | ISBN 9789055605392 | 104 pp. | €12,50

Zie ook: 21 redenen om (niet) in God te geloven

Beeld: De schepping van Adam is een onderdeel van het fresco op het gewelf van de Sixtijnse Kapel in Vaticaanstad geschilderd door Michelangelo rond 1511.