Een lege troon

door Huub Oosterhuis (Hij schreef dit verhaal waarin God zelf aan het
woord is, zoals af en toe in de bijbel.)

Heb ik ooit engelen geschapen? Nooit. Niet één. Ik heb ook geen mensen geschapen. Mensen hebben engelen bedacht. En mij. Maar anders dan ik ben.

Veertien miljard jaar geleden klapte ik, zo zacht ik kon, in mijn handen en sprak ‘kome wat komt’. Dat wordt de oerknal genoemd. Daarna verzonk ik in een diepe slaap.

Ik vermoedde dat er veel gebeuren zou terwijl ik sliep. Alles onvoorstelbaar maar wel echt. Uit niets werd iets dat weer niets werd maar niet helemaal: zo is ons universum ontstaan, snel en overvloedig groeide het, in hitte van tien miljard graden celsius – alles over ons universum heb ik van mensen geleerd, ik weet dat ik het nooit begrijpen zal.

Droomloos slapen was mijn grootst geluk. Maar soms drong de werkelijkheid in dromen tot mij door: toen het allerkleinste wezen ontstond dat zichzelf kon vermenigvuldigen, het DNA-molecuul.

Onheuglijke tijd later komt in een winternacht een Rechtop Gestrekte naar mij toe, een laaiende vlam in zijn hand. Hij beweegt zijn lippen en diep uit zijn keel slaat hij klanken uit, ik verbeeld mij ‘ben jij god’ te verstaan. Ik heb nadien nooit meer geslapen.

Was de Rechtop Gestrekte de eerste homo? Grote bijlen maakte hij, uit vuursteen. Vrijwel zeker lijkt, dat weer onheuglijke tijden later de homo sapiens, de wetende, ook wel ‘de moderne mens’ genoemd, zijn sporen trok over het aardoppervlak.

Zesduizend jaar geleden, nog maar net, kwamen drie lichtluchtige wezens bezoeken, gevleugeld. In een taal die ik maar moeilijk verstond, vroegen ze mij een troon te aanvaarden in de zevende hemel. Ik vroeg: hoe zijn jullie geworden wie je bent? Ze zeiden: ‘Uit de mond van de homo sapiens gevlogen, en engelen genoemd, wat boodschappers betekent. Wij denken dat wij bedoeld zijn om jou heen, als je in de hoogste der hemelen een troon gaat bestijgen. ‘Waarom zou ik?’ ‘Om door alle aardebewoners te … worden erkend … en verheerlijkt … als … eerste beginsel … en zin van … hun bestaan’, werd er moeizaam bij elkaar gestotterd. ‘Hoe komen ze op die gedachte, vroeg ik?’ ‘Die is gegroeid in hun brein, in het diepste van hun hoofd waar ook hun hart klopt en hun pijn en verlangen.’ ‘Wat is pijn’, vroeg ik? Zij antwoordden: ‘Dat weten wij alleen van horen kreunen, het is dat je een mens op aarde bent.’ ‘Zou ik … die pijn … kunnen verzachten’, begon ik nu ook te stotteren, en voelde me nietig als een worm.

Ik besteeg die troon en daar zat ik. Vanaf het eerste ogenblik besefte ik, dat ik alleen maar moest zitten en verder niets. Geen verliefde oogopslag, geen strenge blik; geen toornig en geen bemoedigend woord. Niets dan zwijgen zou ik, en aanzien. In het jaar 325, volgens de meest gangbare jaartelling op aarde, werden er naast mij , aan weerskanten, nog een paar tronen neergezet; eerst voor de joodse martelaar Jesjoe uit Galilea, aan mijn rechterzijde, daarna voor Marjam zijn moeder. Lieve mensen, ik had hun levens gezien en vond hen moedig.

Van de aarde stegen grote woorden naar mij op, en de lichtluchtigen vlogen af en aan om mij ervan te overtuigen dat een groot aantal mensen deze drie bij mij wilde inlijven, als het ware. Hij moest voortaan ‘zoon van god’ worden genoemd en zelfs ‘god van god’. Zij werd allang ‘moeder van god, godbarende’ genoemd en kreeg een litanie van schitternamen toegezwaaid: koningin des hemels, maagd der maagden, onbevlekte, sterre der zee.
Ik had daar mijn gedachten bij en zweeg. ‘Ze willen aanbidden,’ zei de jongste met zwarte krullen, ‘en dat willen ze samen doen, zingend.’ Ik begreep de gedachte, het concept, de droom, het verlangen. Maar hield mij erbuiten.

Intussen besprongen kikkers de kusten en kwaakten de nacht aan flarden. Boze heksen veranderden prinsen in zwijnen en meisjes in prikkende rozen. Reuzen kwamen van de bergen en roofden lieflijke kinderen. Alles wat ik denken kon, gebeurde. Alles wat ik niet denken kon ook. Ik leefde van dag tot dag.

Op zekere dag hoorde ik de Wannsee noemen, en deed navraag. Een prachtig wijd meer bij Berlijn. Daar zou, in een aanzienlijk huis, een ontmoeting plaatsvinden van vijftien aanzienlijke Germanen, de bloem van de homo sapiens, de wetende mensheid. Het was 20 januari 1942, het sneeuwde een beetje.

Die nacht verliet ik mijn troon. Mijn aangenomen zoon sliep een diepe slaap. Ook de moeder gods sliep haar welverdiende slaap na zoveel vertroostende uitstraling. Ik daalde af en bezocht de aanzienlijke villa. De vijftien waren vertrokken, hun glazen cognac nog halfvol, drankspetters op de documenten die ze hadden ondertekend. Het was een villa met zuilen en grote lichte kamers. Er stond een brede lange tafel: hier, aan het hoofd, had Reinhard Heydrich gezeten, naast hem Adolf Eichmann. Op tafel lag een stapeltje handbeschreven papieren. Ik las een nieuw soort mensentaal: we praten voortaan in sluwe codes: de ‘eindoplossing van het jodenvraagstuk noem je evacuaties naar het oosten – je bedoelt vergassing door Zyklon B. De opzet was elf miljoen. Ik begreep dat genocide officieel beleid was geworden. De meeste van de vijftien, zag ik later op foto’s, hadden strakke lippen. Een had volle lippen en een golfslag in zijn haar. Er waren vaders bij van grote gezinnen.

Ik herinnerde mij de eerste glimpen van de aarde uit de zonnenevel. Ik hoorde kometen inslaan en meteorieten. Ik zag de maan ontstaan, hoorde insecten zoemen, zag mammoeten grazen, en dan staat voor mijn ogen de Rechtop Gestrekte met de vlam. En alles daarna.

En nu las ik het handgeschreven Wannsee-protocol over de toekomst van de mensheid – ik maakte me geen illusies: hier stond de toekomst van de mensheid geschreven. Wanhoop overweldigde mij. Ik wou kunnen huilen maar kon niet. Dat niet eens – wat kan ik wel? Niets, besefte ik.

Toen besloot ik nooit meer op te stijgen naar mijn troon. ‘Tot in de eeuwen der eeuwen zal jouw troon een lege troon zijn’, sprak ik tot mijzelf. Sindsdien ben ik spoorloos en niemand zal mij tegenkomen. Ik zwerf door hoerenbuurten, kruip onder bruggen van Calcutta naar stervenden toe; ik vind dode kinderen van drie jaar in rode hempjes en blauwe broekjes aangespoeld op alle kusten van de aarde – ik til ze op en draag ze weg naar schaduwparadijzen, ik alleen weet waar.

Misschien ben ik wat mensen nodig hebben om hun lijden te kunnen uithouden en elkaar te dragen. Ik weet het niet. Het zal wel blijken. Maar hoe dan ook, ik zal proberen er te zijn.

Uit: Wolf en lam – korte verhalen over liefde en dood, uitgeverij Ten Have, 2016.

Advertenties